Veelbesproken, niet gebruikt

De Tweede Kamer spreekt komende week over de ‘canonisering’ van het onderwijs. Maar met de ‘oercanon’, van de Nederlandse geschiedenis, wil het niet vlotten.

Uit: ‘De historische canon van Fokke & Sukke’. Het venster over boekdrukkunst is in de officiële canon vervangen door Christiaan Huygens Reid, Geleijnse en Van Tol

Wim Wormhoudt (60) is nog een schoolmeester van de oude stempel. Hij geeft les aan groep 5 van de Openbare Basisschool De Zevensprong in Almere en vertelt bij het vak geschiedenis het liefst verhalen. Verhalen gekoppeld aan een duidelijke chronologie. In zijn klaslokaal op de eerste verdieping hangt naast een ‘verkeerskaart’ en een foto van het Nederlands voetbalelftal een wandkaart met de Canon van Nederland, de vijftig belangrijkste personen en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis. Als het in de les over de boom achter het Anne Frankhuis gaat, wijst Wormhoudt naar het plaatje van Anne Frank op de tijdbalk en vertelt hij over de Tweede Wereldoorlog. Leerling Hugo is in het kader van het thema ‘Sport en ontspanning’ bezig met een opdracht over het ‘Wilhelmus’. Als hij zijn opdracht klassikaal presenteert, zal de meester wijzen op het plaatje van de Vader des Vaderlands over wie het lied is geschreven.

Anderhalf jaar geleden werd de Canon van Nederland gelanceerd. Ruim een jaar lang had een commissie onder leiding van letterkundige Frits van Oostrom, toenmalig president van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen (KNAW), eraan gewerkt. Het was het gevolg van een advies van de Onderwijsraad en sombere discussies over de teloorgang van de kennis van de vaderlandse geschiedenis bij scholieren. Van Oostrom presenteerde vijftig ‘vensters’ die kinderen zouden moeten kennen – van de hunebedden via Floris V, Willem van Oranje en de grachtengordel tot Willem Drees en de euro. Alles gerangschikt in een ouderwetse tijdbalk aan de muur, twee boekjes met uitleg en verwijzingen naar meer verdieping: dit was het nieuwe richtsnoer voor het geschiedenisonderwijs op de basisschool.

Natuurlijk werd er gekibbeld over gemaakte keuzes: Kamerlid Joost Eerdmans van de LPF was boos dat Pim Fortuyn er niet in stond, anderen waren verbaasd over de plek van kinderboekenschrijfster Annie M.G. Schmidt en planetariumbouwer Eise Eisinga. Een paar minieme wijzigingen volgden. Verrassender was het grote enthousiasme waarmee de canon werd onthaald. Onderwijsminister Van der Hoeven zei trots dat dit nog nergens in de wereld was gelukt. De verwachtingen rond de canon zijn nog steeds hooggespannen. Van Oostrom en kabinet zijn voorzichtiger, maar PvdA en VVD roemen de canon volmondig om zijn heilzame werking voor onze nationale identiteit: de canon werkt bindend in onze multiculturele samenleving.

Andere canons schieten intussen als paddestoelen uit de grond: regionale canons, lokale canons. Er is een canon van de Nederlandse film, een canon over ‘Nederland als waterland’, een canon van de klassieke muziek en sinds vorige week een bètacanon. De Commissie-Dijsselbloem, die de achtereenvolgende vernieuwingen in het onderwijs zo bekritiseerde, adviseerde zelf ook een vernieuwing: canoniseer het onderwijs, ontwerp voor meer vakken dan alleen geschiedenis een canon als leidraad. Komende week zal de Tweede Kamer over deze aanbeveling debatteren. Canon is hot.

Maar wat gebeurt er met de Canon van Nederland in het basisonderwijs? Daar waarvoor hij in de eerste plaats bedoeld is? Wordt hij inderdaad gebruikt als leidraad bij de lessen geschiedenis? De Zevensprong in Almere is een uitzondering. Directeur Ferry Gubbels heeft voor zijn school vijf wandkaarten gekocht omdat hij vond dat door de gebruikte lesmethode voor het vak ‘wereldoriëntatie’ waarin geschiedenis, aardrijkskunde, natuur en milieu, gezondheid en techniek zijn samengesmolten, het besef van chronologie bij leerlingen en ook docenten volkomen was verdwenen.

Tientallen basisscholen door heel Nederland – zowel openbaar als bijzonder – werden benaderd met de vraag of ze gebruik maken van de historische canon. Vrijwel nergens bleek dat het geval. Zelfs de poging om in kinderrijk Haarlem en omgeving met zijn vele scholen een klas te vinden, waar de canon alleen maar aan de muur hangt, mislukte. Directeur Cockie Booms van OBS De Zonnewijzer in die stad zegt de posters wel in de bovenbouw te hebben hangen, maar wil de verslaggever niet in de klas toelaten voor een kort gesprek: „Ik wil mijn leerkrachten daar niet mee belasten”, aldus Booms.

„Gaat het over muziekonderwijs?” vraagt bovenbouwcoördinator Mark Honigh, die les geeft aan groep 5 van de interconfessionele school De Boomladder in Heerhugowaard. Bij nader inzien weet Honigh wel wat de canon is. „Nee, daar wordt bij ons niets mee gedaan. Je pakt natuurlijk wel dingen op als 4 en 5 mei. Maar in die canon staan zoveel belangrijke personen, het is veel te specifiek. Ik wil niet zeggen dat geschiedenis niet belangrijk is. Maar 50 vensters! Je hebt 40 schoolweken, je moet prioriteiten stellen.”

Het is aan de leerkracht om de canon op te pakken, zei Van Oostrom in een recent interview. En in het begeleidende boekje, schreef hij: „De canonkaart is bedoeld om in de klaslokalen van de basisschool (…) permanent aan de muur te hangen. (…) De vensters op de canon zullen zo als een bezield verband kunnen gaan functioneren. (…) Het is misschien niet al te dromerig ons voor te stellen dat als de klas na de zomervakantie een nieuw lokaal betreedt, de wandkaart (…) herkenning biedt en nieuwsgierig maakt naar wat het komend jaar zal bieden.”

Voorlopig is dat nog wel te dromerig. Toen de canon anderhalf jaar geleden uitkwam, stuurde het ministerie van Onderwijs (OCW) de twee boekjes en een canonposter naar alle basisscholen in Nederland. „Maar als je meer wilt, mag je posters bijkopen!” schampert Elmert Zwart, meester in groep 7 van de rooms-katholieke basisschool De Hoeksteen in Bussum: „Als het ministerie echt wil dat er iets mee gebeurt, dan moet het de knip opentrekken: posters voor alle klassen vanaf groep 5.” Zwart studeert zelf geschiedenis en is extra geïnteresseerd. Maar de canon is geen leidraad in zijn les: „Voor de Bataafse revolutie ben ik wel op de canon-website geweest. Daar stond een illustratie van Fokke en Sukke als oranjefans die zingen: „Wat zijn die patriotten stil!” Dat is leuk, dat spreekt de kinderen aan. Maar het valt vaak tegen wat je kunt gebruiken.” Zwart heeft destijds de enige poster van zijn school in zijn klas opgehangen. Nu hangt hij er niet meer: „Ik had een project over China, met muurkranten. Toen was er geen plaats meer voor de Canon.”

Met de meeste rondgestuurde posters is het niet goed afgelopen. De boekjes zijn doorgaans in de schoolbibliotheek gezet, maar veel posters zijn kwijt of ze hangen als decoratie in de docentenkamer. Volgens directeur Elbert de Beus van OBS De Bongerd in Apeldoorn heeft zijn poster wel gerouleerd, maar hangt hij nergens: „Hij zal wel in een kast zijn verdwenen.” Waarom is er niets mee gedaan? „Ik weet niet of u mijn zucht hoort, maar er komt zoveel op ons af.” Zijn collega T. Wilgenburg van de protestants-christelijke Ichtusschool in Nijkerk wordt zelfs ronduit kwaad: „Komt er ineens een canon binnen. Dan denkt men in Den Haag dat die canon meteen het middelpunt van alles wordt. Weet u, er zijn daar een heleboel mensen die voortdurend van alles bedenken. Dan wil de Bond tegen het Vloeken weer wat, dan het ministerie. We zijn een gewone basisschool. Als je ons gek wilt maken, moet je dit doen.” Wilgenburg spreekt net als veel van zijn collega’s van een overladen programma. „Kijk alleen naar het cultuurbeleid: de excursies lopen de spuigaten uit. Vandaag is er een rondwandeling van groepen in de binnenstad van Harderwijk, morgen gaat groep 4 naar het Muiderslot in het kader van ‘ridders en kastelen’. Dan hebben we het nog niet over de bezoeken van de polder om vogels te kijken. U zegt misschien: dat is deze week. Nee, dat gaat zo het hele jaar door!” Andere directeuren komen met andere opsommingen: zelfstandig leren, interne begeleiders, nieuwe lesmethodes, de invoering van vakken als burgerschap en gezondheid, de introductie van elektronische borden in de klas, het bijspijkeren van taal- en rekenachterstand. Voor de historische canon is geen plaats meer.

Directeur Charlotte van Helden van De Oversteek in Rotterdam heeft een boek aangeschaft over de canon. Op haar school is 90 procent van de kinderen van allochtone afkomst, een doelgroep waarvoor de samenbindende werking van de canon volgens beleidsmakers een grote rol zou kunnen spelen. Van Helden is het daar ook wel mee eens: „We leven wel in Nederland. Op dit stukje aarde heeft zich dit stukje geschiedenis afgespeeld. Als je hier wilt wonen, maak je daar deel van uit.” Ze heeft het canonboek gekocht „met de bedoeling dat een docent in de bovenbouw dat boek mee kan nemen naar de klas om er naar te verwijzen”. Maar gebeurt dat ook? „Nee, laten we daar eerlijk in zijn. Je bent als school toch al het afvalputje van Den Haag, we krijgen al zoveel over ons heen.”

Het onderwijs lijkt murw geslagen door veranderingen. Maar er zijn meer problemen: „Van Oostrom kan wel zeggen dat de leraar het moet oppakken”, zegt directeur Jaap Driessen van OBS ’t Spectrum in het Drentse Peize: „Maar hoe doe je dat? De canon is niet uitgewerkt als lesmethode. Wij hebben een recente methode aangeschaft, Bij de Tijd (Uitgeverij Malmberg, red.). Daarin staan de items die je geacht wordt te leren, daar word je ook op afgerekend. Alles wat erbij komt is heel mooi, maar vaak overlapt het ook. Misschien dat de uitgevers het zullen oppakken.”

En zo wordt het op veel scholen gezegd: onze geschiedenismethode is up-to-date, die gaan we voorlopig niet vervangen. Daar komt bij: kort voor het uitbrengen van de canon, had het ministerie al een andere vernieuwing in het geschiedenisonderwijs op de basisscholen doorgevoerd: scholen worden sinds vorig jaar officieel geacht onderwijs te geven aan de hand van tien tijdvakken die waren geformuleerd door een eerdere commissie onder leiding van de historicus Piet de Rooy. Tijdvakken met eigen labels en namen als: Tijd van jagers en boeren (tot 3000 v Chr), Tijd van ontdekkers en hervormers (1500-1600) en Tijd van de televisie en de computer (1950-nu).

De educatieve uitgevers anticipeerden daar de afgelopen jaren op door nieuwe methoden te ontwikkelen, of de oude aan te passen. Voor Anne Coos Vuurmans, voor uitgeverij Thieme Meulenhof verantwoordelijk voor de methode Speurtocht , betekende dat naar eigen zeggen veel extra omzet. „Voor ons was het echt een geschiedenisjaar. Veel scholen schaften een nieuwe methode aan.” Maar het ingewikkelde is, zo zeggen ook uitgevers: de tien tijdvakken sluiten niet goed aan op de Canon van Nederland.

„Het is heel vervelend dat zo snel na De Rooij de canon verscheen”, zegt Jan van Wonderen van uitgeverij Zwijsen, met Zee van Tijd en het multimediale De Trek actief in het geschiedenisonderwijs. Het ontwikkelen van een nieuwe methode duurt twee tot drie jaar en hij moet tien jaar meegaan. Scholen doen momenteel gemiddeld zelfs zo’n veertien jaar met een methode. Dat betekent dat er in 2020 nog scholen zullen zijn met methodes van vóór de canon. „Laatst bleek uit onderzoek dat op 800 scholen nog een aardrijkskundemethode werd gebruikt uit de Koude Oorlog”, aldus Van Wonderen.

Toch spelen de uitgevers in op de komst van de canon. Op hun websites prijzen ze hun geschiedenismethodes aan met wervende teksten als: „Met De Trek geeft u de canon van de Nederlandse geschiedenis nu al een plaats in uw geschiedenislessen” (Zwijsen), of „Met Brandaan leert elk kind de canon” (Malmberg). Maar Vuurmans van Thieme geeft toe dat er vooral sprake is van „knip-en-plakwerk”. Op internet staan lijsten waarin staat welk venster uit de canon bij welke les hoort. En als een venster in de methode ontbreekt, bieden uitgevers extra lesmateriaal via website of nieuwsbrief. Ook al claimen veel uitgevers dat hun methodes inmiddels ‘canonproof’ zijn, de historische canon vormt beslist niet de ruggengraat van hun methodes. Van Wonderen over De Trek: „Soms komt een canonvenster slechts in een opdrachtje terug, soms is het de kern van een hele les. Het blijft afwegen wat de relevantie is.”

Klaas Dolsma van marktleider Noordhoff (Tijdstip en Wijzer door de Tijd) verwacht dat het nog wel tien jaar duurt voordat er een eerste geschiedenismethode is die echt is gebaseerd op de canon: „Na een of twee jaar alweer een nieuwe methode is out of the question. Scholen hebben ook niet de mogelijkheid of het budget om sneller dan in zeg twaalf jaar de methode te vernieuwen.”

Vuurmans spreekt van een grote misvatting in Den Haag: „Men denkt daar dat de leerkrachten zelf hun onderwijs maken. Maar op een basisschool waar een leerkracht acht tot twaalf vakken moet geven, is dat helemaal niet mogelijk. Het grootste deel van het onderwijs wordt bepaald door de methode van de uitgever.” Een fenomeen waar de canonmakers evenmin blij mee zijn. De „dictatuur van de methode”, noemde canonvoorzitter Van Oostrom dat vorig jaar. Hij zag verder uitdijende lesstof, prachtig geïllustreerd, maar ook steeds dwingender en duurder, erg lucratief voor uitgevers. Daartegen pleitte Van Oostrom voor „dunnere boeken en dikkere docenten” die zelf hun lessen uitstippelen. Maar in de praktijk van de basisschool is het zelf maken van geschiedenislessen vaak alleen weggelegd voor enthousiastelingen als Elmert Zwart in Bussum. Dat komt door gebrek aan tijd, maar ook door het niveau van docenten. „Je mag soms blij zijn als docenten twee bladzijden voor liggen op hun leerlingen”, zo heet het. Veel schooldirecteuren beklagen zich over de grote instroom van lager opgeleide studenten op de Pabo’s: „Simpel rekenen gaat nog net”, zegt directeur Henk Makker van De Hoeksteen in Bussum: „Maar breuken en wortels zijn niet aan ze besteed. En dan hebben we het al helemaal niet over geschiedenis.”

In een gebouw pal naast het ministerie van OCW in Den Haag zit Hubert Slings op zijn werkkamer. Tot vorig jaar was hij secretaris van de canoncommissie, nu is hij directeur van de Stichting Entoen.nu, die met geld van OCW probeert de Canon van Nederland te promoten. Vorige week trok hij nog met de ‘Canonkaravaan’ naar Zeeland om daar scholen en culturele instellingen warm te maken. Slings bevestigt de indruk dat scholen nog slechts „mondjesmaat” iets met de canon doen: „Die discussie over de canon is de afgelopen periode op tal van niveaus opgepikt: culturele instellingen, kranten, media. Maar op scholen bleef het relatief stil. Ik had niet verwacht dat de canon meteen juichend omarmd zou worden, maar ik had wel iets meer discussie verwacht.” Slings vraagt om geduld: „Elke onderwijsvernieuwing kost tijd.”

Entoen.nu ontwikkelt nu samen met andere organisaties een leerplan waar „methodebouwers” een nieuwe methode op kunnen baseren en worden er voorbeeldlessen gemaakt rond ‘lastige’ vensters als Srebrenica, Hebban olla Vogala (de eerste Nederlandse zin) of Spinoza. Ook wordt nascholing voor docenten opgezet.

Slings is verder van plan de geschiedenismethodes te toetsten die claimen canonproof te zijn. „We willen kijken of de geroepen ambities waargemaakt worden.” Wat je dan precies toetst is nog de vraag. Slings ziet ook dat uitgevers met creatieve ingrepen de canon aan hun onderwijsmethodes koppelen. Zo komt van Van Oostroms ideaal van dunnere schoolboeken en de canon als leidraad dan weinig terecht, erkent hij. In tegendeel, met de canon erbij dijen de methodes juist weer uit.

Vorig jaar kreeg Slings een duwtje in zijn rug. De nieuwe minister van Onderwijs, Plasterk, maakte bekend na de tijdvakken van De Rooij, ook de Canon van Nederland formeel verplicht te zullen stellen, in jargon: ‘op te nemen in de kerndoelen’. Maar het kabinet krijgt te maken met tegenwind uit eigen kring. De PvdA steunt de minister, maar ChristenUnie en CDA zijn tegen het verplicht stellen van de historische canon. „Als we dat doen, ontkom je niet aan een politiek oordeel over de vensters. En zo’n discussie wil ik juist voorkomen”, zegt Tweede Kamerlid Jan-Jacob van Dijk van het CDA: „Geef het als handreiking, maar stel het niet verplicht. Geef Friezen de mogelijkheid om Lange Pier toe te voegen als ze die belangrijk vinden.” De tegenwerping dat er zonder verplichting niets van terecht komt, wijst Van Dijk af: „Dat gaat uit van wantrouwen. Maak het aantrekkelijk!”

„Lost een verplichting iets op?” vraagt Anne Coos Vuurmans van uitgever Thieme zich af. „Zal de Onderwijsinspectie echt gaan controleren of alle vijftig vensters worden behandeld?” Directeur Gubbels van de Zevensprong in Almere denkt van niet: „Ze vragen nooit naar geschiedenis.” Zijn collega Wilgenburg van de Ichtusschool in Nijkerk: „Luister, er wordt zoveel verplicht gesteld. Ik doe gewoon wat goed en wat nuttig is.”

Voor meer informatie over de canon: www.entoen.nu