Talent bestaat wél

Oefening baart kunst. Maar ook aangeboren eigenschappen spelen een rol. Hendrik Spiering

Oefenen is belangrijk, maar sommige kinderen hebben van nature ook gewoon meer kans om topmuzikant te worden dan andere. (foto jupiterimages)
Girl playing violin.
Jupiterimages

Iedere topviolist heeft er op zijn 21ste ten minste 10.000 uur formele vioolstudie op zitten, zo heeft de muziekpsycholoog John Sloboda ooit uitgerekend. Minder goede conservatoriumstudenten halen amper de helft. En de studie-uren van amateurviolisten vallen er bij in het niet. Dus niet muzikaal talent bepaalt succes, maar oefening baart kunst. Dat is sinds de jaren negentig mede door dit onderzoek de dominante opvatting onder psychologen. En het geldt niet alleen in de muziek. Zelfs bij topatleten is vaak niet duidelijk of hun superieure fysiek de training vergemakkelijkt of er juist door veroorzaakt wordt.

Maar klopt de uitbanning van het talent-concept wel? Kan iedereen wel alles, als hij of zij maar op de juiste wijze veel oefent? De laatste jaren is er een genuanceerde tegenbeweging op gang gekomen. Ja, goede oefening is zeer belangrijk. Maar ook andere, aangeboren zaken tellen mee. In het vakblad Intelligence (juli/augustus 2008) geven vier Amerikaanse psychologen (onder leiding van Joanne Ruthsatz) een overzicht van recent onderzoek en van eigen experimenten, onder de veelzeggende titel: Becoming an expert in the musical domain: It takes more than just practice. Ook geven de psychologen een alternatief voor de ‘alles is oefening’-theorie. Muzikale topprestaties kunnen worden verklaard door oefening én door algemene intelligentie én zelfs door talent (een begrip dat door psychologen trouwens meestal ‘domeinspecifieke vaardigheden’ wordt genoemd).

Ruthsatz is behoedzaam over wát dat talent dan precies is. Maar uit wonderkinderenonderzoek van haar en anderen lijkt vooral naar voren te komen dat die vroeg ‘getalenteerden’ zich vooral onderscheiden door een superieur muzikaal geheugen.

toevallig

Volgens Sloboda is de bijzondere muzikale expressievaardigheid die door muziekleraren vaak talent wordt genoemd, niet aangeboren. Die ontstaat ‘toevallig’ uit vroege muzikale ervaringen, door veel oefening en door stimulerende familie en leraren. Vaak speelt een bijzondere muzikale ervaring op vroege leeftijd een belangrijke rol.

Natuurlijk berusten muzikale vaardigheden op aangeboren eigenschappen, maar daarin bestaan amper onderlinge verschillen tussen mensen. Het concept van talent werkt zelfs remmend op degenen die zich als talentloos beschouwen, aldus Sloboda. In culturen waarin geen cultus van talent bestaat, liggen de muzikale prestaties van de meeste mensen vaak ver boven die in westerse cultuur. De meeste topmusici toonden in de eerste jaren meestal zelfs helemaal geen ‘talent’.

De vier onderzoekers die een bescheiden tegenaanval inzetten ten gunste van aangeboren factoren rehabiliteren oudere ideeën, uit de tijd dat de meeste psychologen nog wel in talent geloofden.

oefenen

Ze rakelen bijvoorbeeld ongewoon oud onderzoek (uit 1919) op, maar ook wel recentere studies, waaruit blijkt dat grote musici óók altijd een grote algemene intelligentie hebben. En nadere analyse van gegevens uit een belangrijk anti-talent-artikel uit 1993 (in Psychological Review, juli 1993) wijst uit dat die gegevens juist een argument vóór het bestaan van talent zijn, schrijven de psychologen in hun stuk in Intelligence. Het betrokken artikel uit 1993, van de Zweeds-Amerikaanse psycholoog K. Anders Ericsson, was befaamd omdat erin aangetoond werd dat de meest geprezen violisten uit de geschiedenis ook altijd de violisten waren die het meest geoefend hadden. Mindere goden hadden minder geoefend.

Maar uit al het biografische materiaal dat Ericsson verzamelde, kan óók gedestilleerd worden dat die latere topviolisten als kind (van acht jaar) al het vaakst wonnen als ze meededen aan open vioolconcoursen: in tweederde van de gevallen. Het ‘tweede garnituur’ won minder vaak: in iets meer dan de helft van de gevallen. En de onderklasse onder de topviolisten won als achtjarige nog geen 20 procent van de concoursen. In theorie zou ook op zulke jonge leeftijd al een verschil in oefenuren kunnen meespelen, maar algemeen wordt aangenomen dat op dit niveau het effect van oefenen pas in een jaar of tien kan worden opgebouwd. Met acht jaar moet nog iets aangeborens meespelen, is de gedachte: talent (of iets anders).

schoolorkesten

Talent, oefening én intelligentie, het is allemaal min of meer even belangrijk, aldus Joanne Ruthsatz en haar collega’s. Maar per individu zal de mix verschillen. Behalve de analyse van de concours-successen van de violisten, presenteren ze in Intelligence vergelijkend onderzoek onder leden van schoolorkesten en die van een conservatoriumorkest. De beste muzikanten onder hen scoorden inderdaad duidelijk hoger op testen van algemene intelligentie en op testen van muzikale vermogens. In die muzikale testen wordt hoofdzakelijk gemeten of iemand verschillen in toon en ritme kan onderscheiden, iets wat mensen zonder muzikale training meestal even goed kunnen als mensen met een langdurige achtergrond in de muziek. In feite meten ze ‘talent’.

Verder grijpen Ruthsatz en haar collega’s terug op een eerder door haar gepubliceerd onderzoek van een zesjarig muzikaal wonderkind (in Intelligence, november 2003). Wonderkinderen zijn altijd het belangrijkste bewijs geweest voor het bestaan van muzikaal talent, ook al worden de prestaties van Mozart en de pianist Erwin Nyiregyhazi (1903-1987) ook wel verklaard uit een buitengewoon goed geheugen en een hoge intelligentie. Nyiregyhazi maakte als vijfjarige al concerttournees door Europa en werd tussen zijn zesde en twaalfde onderzocht en getest door de Nederlands-Hongaarse psycholoog Geza Revesz. Recenter onderzoek door Sloboda van deze muzikale idiot savant, die een IQ van 60 heeft en op zijn 21ste onderzocht werd, leidde tot de conclusie dat in dit geval een zeer specifiek muzikaal geheugen een grote rol speelt, iets wat ook wel bij andere idiots savants werd gevonden. Een typisch geval van een domeinspecifieke vaardigheid dus, anders gezegd: een talent.

plezier

Hetzelfde geldt voor het zesjarige wonderkind ‘Derek’, dat Ruthsatz onderzocht heeft. Hij trad regelmatig op als zanger en instrumentalist en wist met zijn expressieve stijl tijdens betaalde concerten een groot publiek te boeien. Nooit les gehad, schrijft Ruthsatz, en niet opgegroeid in een muzikaal gezin. De belangrijkste drijfveer voor zijn constante neiging om muziek te maken, is het plezier dat hij er zelf aan ontleent, aldus Ruthsatz. Uit haar testen bleek dat hij een goede intelligentie heeft, 130, met een vrij gespreide score: 114 en 120 op abstract redeneren en rekenen, en een verbaal iQ van 130. Maar zijn geheugen is exceptioneel goed: 158 (de gemiddelde score bij deze testen is 100). Op de muzikale test (dezelfde als bij de eerder genoemde school- en conservatoriumorkesten) scoorde het zesjarige kereltje bijna 100 procent – boven de 80 procent geldt als zeer muzikaal. En dat allemaal terwijl er geen enkel aanwijzing is dat Derek ooit serieus gestudeerd en geoefend heeft (deliberate practice in het psychologenjargon). Niet iedereen kan dus een Mozart worden, concluderen Ruthsatz en haar collega’s.

Een eerder artikel, ‘Talent bestaat niet’ is te lezen op nrc.nl/wetenschap