Spier - Ansen

In de warmte die de hoge bomen onder zich houden, trekt een stoet van een stuk of dertig solexen voorbij, gevolgd door een bezemwagen, met twee reservebrommertjes. Met de luchtverplaatsing van de solexen lachen de struiken in hun vuistjes.

„Ik heb ooit een dienst-solex bereden’’, zegt man duister.

Over een smal betonspoor glijden we het bos binnen. Soms laat dat zich onderbreken door een lapje heide, ook voert het langs vennen waar kikkers zonnebaden op keitjes en libellen en waterjuffers bij honderden stijgen en dalen als levende helikopters. Kuifeenden duiken op en onder. Muggen planten bulten op mijn kuiten. Dat moet ik er voor over hebben.

In het bos laten lariksen en dennen zachte vingers met jonge naalden hangen, alsof ze de langsvliegende insecten over hun kopjes willen aaien. Lang alle paden staat vandaag stengel aan stengel het geile vingerhoedskruid in de houding, soms wit geüniformeerd, meestal in roze. We bewandelen rul zand waar niet lang geleden op werd geregend. Net of de loper is uitgelegd: zacht en stevig, goed voor een statige stap.

En de zon? De zon legt, in samenwerking met takken en gebladerte, een pantermotief van licht over mos en varens.

Aan een hek hangt een waarschuwing: of wij, stadse onbenullen, met onze tengels van eenzame lammetjes af willen blijven. Niet meenemen. Ze zijn „niet zielig’’. (Nu ja, het staat er netter maar daar komt het wel op neer). Dit suggereert dat heel veel wandelaars zich, met desastreus resultaat, hebben ontfermd over op het oog verlaten lammeren – maar hoe ging dat dan? Tilden die wandelaars zo’n beest op, sloegen ze het over hun nek (met een van bijbelse afbeeldingen afgekeken greep) en gingen ze ermee…, ja, wat? Lijkt me nogal een toestand. Vreemd verhaal. We passeren een schaapskooi. Daar is dagelijks tegen zessen een ‘aaikwartier’ afgekondigd – schaapherders denken dat stadjers achterlijk zijn.

Nu beveelt een bord dat de gsm uit moet, in verband met de radiotelescoop. (Dochter belt, ik sta haar stiekem te woord, daar is ze dochter voor, en krijg meteen op mijn kop van een meneer op een fiets). De radiotelescoop, het ouwetje van Dwingeloo, lonkt met zijn schaal, een roestvrijstalen spinneweb, naar het heidegebied erachter.

En die hei? Ja die hei. Hij is zomers bruin. De ongebreidelde hitte vertraagt er alles. Mij ook. Ik voel me die kever daar, ik kruip door het zand. Maar ik besef wel hoe zonlicht glanst op een groen schildje.

Joyce Roodnat

16 km (plus aan- en aflooproute). Kaarten 18, 19 uit: Drenthepad. Uitg. NIVON, Amsterdam, 1999. Geen openbaar vervoer. Tel. taxi: 0521 593 287