Oorlog in de zomer

Mannen moorden meer dan vrouwen. Na hun vierentwintigste gaan mannen minder moorden. Hoe kan dat?

We komen met een verschillende aanleg voor agressief gedrag de baarmoeder uit, afhankelijk van ons geslacht, onze genetische achtergrond, de hoeveelheid voeding die we via de placenta in de baarmoeder krijgen, en het roken, alcohol- en geneesmiddelengebruik van onze moeder tijdens de zwangerschap.

De kans dat we ontremd, antisociaal, agressief of crimineel gedrag vertonen neemt in de puberteit toe, dankzij het stijgen van de testosteronspiegels. Er zijn dan ook sterke geslachtsverschillen in zulk gedrag. Mannen plegen vijf maal meer moorden dan vrouwen. Bovendien vermoorden mannen maar in 20 procent van de gevallen een familielid of kennis, terwijl vrouwen in 60 procent van de gevallen iemand binnen de relationele sfeer vermoorden.

De leeftijd waarop mannen moorden heeft een stereotiep beloop. Met het stijgen van de testosteronspiegel tijdens de puberteit stijgt ook het aantal moorden. Er is vervolgens een piek rond het 20ste-24ste jaar, waarna zich een daling inzet tot lage waarden rond de 50-54 jaar. Er is een identiek leeftijdspatroon voor het moorden gevonden op heel verschillende plaatsen in de wereld, in Chicago, Engeland en Wales en in Canada.

De dalende lijn in crimineel gedrag bij twintigers wordt geweten aan de late ontwikkeling van het voorste deel van de hersenschors, de prefrontale cortex, die ons impulsieve gedrag in toom houdt en het morele gedrag bevordert. Alcohol remt deze functies van de prefrontale cortex, wat tot plotseling, zinloos geweld kan leiden na een avondje stappen. Een beschadiging van de prefrontale cortex in de eerste levensjaren kan in volwassenheid ook leiden tot gestoord sociaal en moreel gedrag.

Het manlijke hormoon testosteron stimuleert agressief gedrag. Sommige mannen hebben hogere testosteronspiegels dan andere en hebben daarmee een extra risico voor agressie. Bij mannen die gevangen zaten wegens geweldsdelicten en verkrachting waren de testosteronspiegels hoger dan bij hen die schuldig waren aan andere feiten. Eenzelfde relatie tussen hogere testosteronspiegels en meer agressie bestaat trouwens ook bij vrouwelijke gedetineerden. Tevens zijn de testosteronspiegels hoger bij mannelijke gevangenen en bij rekruten met asociaal gedrag.

Bij hockeyspelers is een agressieve uiting tijdens het spel makkelijk te meten. Namelijk aan een klap met de stick. Ook bij hen is een relatie gevonden tussen het aantal agressieve reacties en de testosteronspiegels in het bloed. Het is daarom verontrustend dat tegenwoordig grote hoeveelheden anabole steroïden in de ‘sport’ worden gebruikt om de spiermassa te vergroten, want die hormonen versterken ook het agressieve gedrag.

Ook de omgeving heeft invloed op het agressieve gedrag. De laatste tijd wordt duidelijk dat gewelddadige films en computerspelletjes agressieverhogend kunnen werken. We mogen echter niet alleen maar hierop focussen, want ook het lezen van een bijbeltekst waarin God het doden sanctioneert, bleek duidelijk agressieverhogend te werken, met name bij mensen die religieus zijn. Ook fysische factoren als temperatuur en licht spelen een grote rol in ons handelen. Iedereen kent het probleem van agressie gedurende ‘lange, hete zomers’. Niet de militaire strategie, maar de hoeveelheid daglicht of de temperatuur lijkt de doorslag te geven bij de beslissing een oorlog te beginnen. Dit bleek uit de seizoensritmes die Schreiber vond in zijn studie van 2.131 veldslagen in de laatste 3500 jaar. De beslissing die tot het begin van een oorlog leidt, wordt op het noordelijke halfrond al eeuwenlang meestal ‘s zomers genomen, op het zuidelijke halfrond bij voorkeur gedurende onze winter en rond de evenaar onafhankelijk van het jaargetijde.

En dan zijn er natuurlijk ook nog de slechte sociale omstandigheden en gebrek aan opleiding die tot agressief en crimineel gedrag kunnen leiden, de enige factoren waar de afgelopen generaties naar gekeken is. Toen de Italiaanse criminoloog Cesare Lombroso (1835-1909) werd verweten dat hij aan de maatschappelijke factoren die tot criminaliteit konden leiden te weinig aandacht besteedde, was zijn antwoord: „Dat is zo, maar dat komt doordat hieraan al door zoveel mensen aandacht is besteed. Het heeft weinig zin om te bewijzen dat de zon schijnt.”

Dat was tot voor kort ook hier in Nederland het geval, maar ook het ministerie van Justitie krijgt nu belangstelling voor andere dan maatschappelijke factoren die de mate van agressie en kans op criminaliteit bepalen.

Dick Swaab

Dick Swaab is hoogleraar in de neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is verbonden aan het Nederlands instituut voor Neurowetenschappen. Reacties en vragen kunt u sturen naar zbrieven@nrc.nl