Ons verval is onontkoombaar, maar laten we het de glans van schoonheid geven

Volgens een niet-moralistische definitie is decadentie van alle tijden en is iedereen decadent. Zij kan evenmin worden tegengegaan als het ondergaan van de zon of het voorbijgaan van de lente.

‘Cleopatra test gif op ter dood veroordeelden’ van de in Nederland geboren Engelse schilder Lawrence Alma-Tadema (1836-1912 © picture alliance / united achives) 'Cleopatra testing poisons on those condemned to death'. The Ptolemaic dynasty in Egypt which ended with Cleopatra VII, was founded by Alexander the Great's general Ptolemy whose portion of the empire divided after Alexander's death included Egypt. Lawrence Alma-Tadema (1836 -1912) Dutch-born English painter. Classical genre. Oil on canvas. Private collection picture alliance / united archiv
Paul van Tongeren

Hoogleraar wijsgerige ethiek en directeur van het Centrum voor Ethiek van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Allebei gaan ze in het zwart gekleed: rechts-radicale jongeren en de ‘gothics’. Daar houdt de overeenkomst op, want tussen hun kleding bestaat een wezenlijk verschil. Het zwart van de eersten is dat van de ernst waarmee zij decadente anderen bestrijden, het zwart van de tweede groep is uitdrukking van een, altijd ook ironische, cultivering van de eigen decadentie.

Uit het eerste zwart spreekt een moralistische opvatting van decadentie die wil waarschuwen tegen verderfelijke ontwikkelingen. Deze opvatting heeft een lange geschiedenis. In de achttiende eeuw verschenen verscheidene studies over opkomst en ondergang van het Romeinse Rijk. Die ondergang werd aangeduid als ‘decadentie’, en auteurs als Montesquieu, Voltaire en Gibbon wilden met de beschrijving daarvan waarschuwen tegen wat zij beschouwden als decadente tendenties in hun eigen tijd. Hun historische studies hebben daardoor een moralistisch karakter.

Bij deze opvatting van decadentie hoort een lineair begrip van tijd en geschiedenis: de geschiedenis ontwikkelt zich in een bepaalde richting, en decadente verschijnselen dreigen die ontwikkeling te verstoren. Conservatieve en progressieve varianten van deze opvatting komen hierin overeen, dat zij waarschuwen tegen zo’n afwijking van de juiste richting. Die moet gestopt en gekeerd worden, opdat de ontwikkeling naar het Rijk van God, de Rede, de Klassenloze Maatschappij of nog een ander soort van Heil in zo recht mogelijke lijn kan verdergaan. Kenmerkend voor deze opvatting is dat de decadentie steeds bij anderen wordt waargenomen. Zo keren de in het zwart geklede rechts-radicalen zich tegen datgene wat als ziek of decadent een ‘gezonde’ ontwikkeling bedreigt.

In het zwart van de gothics toont zich een ander begrip van decadentie. Weliswaar slaat het ook hier op ‘verval’, maar nu is de neergang niet een gevaarlijke afwijking van een lijn die eigenlijk gevolgd zou moeten worden, maar getuigt hij juist zélf van een natuurlijke gang van zaken. Hij is als een zonsondergang en hoort, net als die, thuis in een cyclische tijdsopvatting. De dag verdwijnt in de nacht, de zomer gaat via de herfst over in de winter, het leven eindigt in de dood. En dat geldt niet alleen voor planten, mensen en ecosystemen, maar ook voor culturen. Die neergang is onvermijdelijk, zodat het geen zin heeft om er tegen te waarschuwen of er tegen in te gaan.

Neergang is kenmerkend voor de geschiedenis. Bijna elke tijd is wel decadent. Alleen gebeurt er zo nu en dan iets dat die constante neergang opheft. Zoals Friedrich Nietzsche, de grote negentiende eeuwse diagnosticus van de decadentie zegt, staat er zo nu en dan een genie op in een lange geschiedenis van epigonen. Die epigonen vormen dan weer de voedingsbodem voor een nieuw genie. Ook een onaangename gebeurtenis zoals de aanslag van 9/11 kan de geschiedenis een andere wending geven. Of een oorlog waarop wederopbouw volgt.

Deze opvatting van decadentie is kenmerkend voor de stroming in de cultuur die er haar naam aan heeft ontleend, het decadentisme. Sinds de Romantiek is ze niet meer uit de cultuur weg te denken; ze kende haar hoogtepunt in het fin de siècle en leefde ook rond de vorige eeuwwisseling weer op. Wij beleven tegenwoordig een opflakkering daarvan.

Het decadentisme wil niet het tij keren, maar probeert zichzelf te cultiveren. In 1886 werd in Frankrijk het tijdschrift Le Décadent opgericht. Het bestond slechts 3 jaar. Maar dat is geen argument tegen die cultivering. Een zonsondergang kan prachtig zijn, maar duurt niet langer dan een uur; een herfst kan schitterend zijn (om op een titel van Jan Siebelink te variëren, de vertaler van het meesterwerk van de decadentie, Huysmans A Rebours), maar hooguit een paar maanden. Deze niet-moralistische opvatting van decadentie is meer geschikt om de vraag te beantwoorden of, en in hoeverre onze tijd decadent genoemd kan worden.

De decadent weet dat hij meer geschiedenis achter zich heeft dan toekomst vóór zich. Hij is over de top van de heuvel en begonnen aan de afdaling die eindigt in de dood. De decadent is ‘op weg naar het einde’. Een zekere vermoeidheid is daarbij onvermijdelijk, evenals een afgenomen vitaliteit.

Maar dat betekent niet dat we slechts kunnen treuren en wanhopig afwachten tot alles voorbij is. Plutarchus beschrijft in zijn Antonius wat er gebeurde nadat Cleopatra en Antonius verslagen waren in de slag bij Action. Met hun getrouwen wisten zij dat hun einde nabij was. Beroemd is het verhaal dat Cleopatra mogelijke vergiften voor haar geplande zelfmoord uitprobeerde op ter dood veroordeelden, en zich vermaakte door te kijken naar hun stervensproces. Ten dode opgeschreven probeerde zij met de mensen om zich heen de tijd die hen nog scheidde van de dood zo aangenaam mogelijk door te brengen door zich te verstrooien met eten, drinken, seks en het kijken naar anderen die lijden en doodgaan.

Plutarchus noemt dit gezelschap de synapothanoumenoi, degenen die samen zullen sterven. Ongeveer hezelfde begrip vinden we in teksten van Søren Kierkegaard; hij spreekt van symparanekroomenoi, vrij vertaald: ‘degenen die samen zo ongeveer dood zijn’, bijna dood, dood maar nog niet begraven. Kierkegaard duidt met de term, naar eigen zeggen, zichzelf en zijn lezers aan; ons allemaal dus. De decadent zal erkennen dat wij inderdaad allemaal ten dode opgeschreven zijn. Onze milieucrisis maakt het besef van die nabije ondergang alleen maar sterker. En wat doen wij eigenlijk anders dan die groep rond Cleopatra en Antonius? We verstrooien ons met eten, drinken en seks, en kijken ’s avonds voor de televisie naar hoe anderen lijden en dood gaan.

Of is de situatie van de decadent hiermee te negatief geduid? De geschiedenis die hij achter zich heeft, is immers niet alleen voorbij; ze is ook de rijkdom of de bagage die hij verzameld heeft; en die bagage is niet uitsluitend een last. Europa is trots op haar geschiedenis. Maar wat die geschiedenis precies betekent voor het ‘project Europa’, en dus voor haar toekomst, is minder duidelijk. Werkt zij werkelijk als bron van vitaliteit voor Europa? Wie naar de VS of Afrika reist, voelt hoeveel ouder wij Europeanen zijn.

Het is moeilijk om origineel te zijn met zoveel geschiedenis. Veel hedendaagse kunst getuigt van een wanhopige zoektocht naar originaliteit. Doorgaans wordt ze niet gevonden, tenzij in destructie of ironische herhaling van het oude. Zijn de postmoderne architectuur die ironisch vroegere stijlen imiteert, de literatuur die uit een sampling van citaten bestaat, de muziekcultuur waarin diskjockeys de kunstenaars worden, niet uitdrukkingen van deze decadentie? Die kenmerken van een postmoderne cultuur verwijzen ook naar een ander aspect van decadentie, namelijk haar reflexiviteit. De decadent houdt zich vooral met zichzelf bezig. Wie veel achter zich heeft, zal meer tot terugkijken geneigd zijn. Dat herinnert opnieuw aan het probleem van de decadent om creatief te worden. Vladimir Jankélévitch stelt in Austérité et décadence, dat creativiteit blind is of op z’n best vooruitziend, maar gehinderd wordt door een reflexiviteit die in alles de herhaling van het eerdere ziet.

Natuurlijk is reflexiviteit niet alleen een kenmerk van het postmodernisme. Het ‘Ken uzelve’ van de tempel in Delphi toont hoe ze in de Griekse wortel van onze cultuur is meegegeven. Nietzsche stelt precies daarom dat de geschiedenis van de Europese cultuur eigenlijk één groot vertraagd proces van decadentie is. Zeker als Sokrates de zelfkennis tot principe van de filosofie maakt, begint die geschiedenis van decadentie. Het zal duidelijk zijn dat deze decadente reflexiviteit geen kritische zelfbeoordeling is, maar eerder een verstrooiend-berustende introspectie. We gaan gezellig samen naar de bioscoop om An Inconvenient Truth over onszelf te bekijken. Kierkegaards symparanekroomenoi hadden het niet beter kunnen bedenken.

De manier waarop Nietzsche het begrip ‘decadentie’ hanteerde is sterk beïnvloed door Paul Bourgets Essais sur la psychologie contemporaine. Volgens Bourget is een hoofdkenmerk van de decadente stijl het onvermogen om het materiaal tot een eenheid te organiseren. Inderdaad zien we in de literatuur, de schilderkunst en de muziek van de negentiende eeuw het woekeren van onderdelen die hun organische plaats in het geheel niet meer vinden. Heel duidelijk is dat bijvoorbeeld in Huysmans’ A Rebours, dat als roman uit elkaar valt in vrijwel niet met elkaar verbonden hoofdstukken, die zelf weer uit elkaar vallen in eindeloos gedetailleerde beschrijvingen van geuren of boeken of drankjes. Nietzsche schrijft: „Het woord wordt souverein en springt uit de zin naar buiten, de zin neemt de overhand en verduistert de betekenis van de bladzijde, de pagina komt tot leven ten koste van het geheel – het geheel is geen geheel meer.” Hij ziet hetzelfde in alle domeinen van de cultuur: de vrijheid van het individu bijvoorbeeld, en de idee van ‘gelijke rechten voor allen’ zijn volgens hem slechts de politieke vertaling van hetzelfde verschijnsel.

Waar geen organisatie tot eenheid meer is, blijft alleen nog de verzameling. Decadenten zijn verzamelaars. En er is waarschijnlijk geen sterker voorbeeld van dat verzamelen, dan ons huidige world wide web: de verzameling van alle verzamelingen, zonder ander organiserend principe dan dat elk klein onderdeeltje moet kunnen worden teruggevonden. Als wij geen samenleving meer vormen, is politiek bedrijven via het web misschien de enige mogelijkheid.

Jankélévitch noemt in dit verband de verzelfstandiging van zowel vorm als inhoud, waardoor beide buiten proportie kunnen groeien en zich van elkaar losmaken. De verzelfstandiging van de vorm vindt Jankélévitch niet alleen in het l’art pour l’art, maar ook in het perfectionisme van de kunsten: „de beste orkesten, de beste tradities in de beste conservatoria, waarbij het slechts ontbreekt aan een ziel en iets om te zeggen”; of ook – tot slot – in de verzelfstandiging van het geld, zoals wij dat bijvoorbeeld zien in het ‘grote graaien’. Wat een middel is, wordt zelf tot doel, bij gebrek aan een doel voor de besteding ervan. Daardoor verliest het zijn maat, zodat extreme verrijking gemakkelijk in het grenzenloze verlengde daarvan komt te liggen.

Er zijn meer kenmerken te noemen: de ervaring van de aantrekkingskracht van het kwaad (van Baudelaires dichtbundel Les fleurs du mal tot het tv-programma Temptation Island); de combinatie van een zoeken naar steeds sterkere prikkels met een verlangen naar verdoving, een roes die ongevoelig maakt (van Wagners Ring tot onze disco); het gevoel vervreemd te zijn van de natuur, die we alleen nog maar via de cultuur en met name via de kunst kunnen ervaren (van de kunstmatige verwelkte bloemen van Des Esseintes tot natuurlijke frisheid uit potjes). Maar ook zonder zo’n uitbreiding mogen we concluderen dat ‘wij’ inderdaad decadent zijn. En dus kan tot slot de vraag gesteld worden, hoe we ons tegenover die decadentie zouden moeten opstellen. Ik noem slechts enkele punten.

Ten eerste is er niets tegen te doen. De decadentie zoals we die op een niet-moralistische manier hebben beschreven, kan evenmin worden tegengegaan als het ondergaan van de zon of het voorbijgaan van de lente. Ten tweede is ‘niet weten wat te doen’ ook zelf weer een aspect van die reflexiviteit die de decadentie karakteriseert. Kierkegaard suggereert dat men niet reflecterend uit de decadentie kan raken, maar slechts door de daad of de keuze – een daad die bij gebrek aan reflectie onvermijdelijk als dwaas of onverstandig verschijnt.

Maar dat betekent niet dat er helemaal niets te doen valt. Want ten derde kan precies die onvermijdelijkheid van de neergang alleszins aanleiding zijn voor een verfijning en verfraaiing van de manier waarop we vallen. Jankélévitch schrijft dat het genie zonder zijn epigonen wel een heel kort leven zou leiden, en dat het beter is dat een cultuur als een herfstblad naar beneden dwarrelt, dan als Ikarus onmiddellijk in de zee te verdwijnen. De decadentie bestaat immers niet alleen in verval, maar ook in de glans van schoonheid die aan dat verval wordt gegeven. Als we iets ‘moeten’ in verband met onze decadentie, dan wellicht dit: daaraan een vorm geven die schoonheid en voornaamheid verleent aan een proces dat onvermijdelijk is en onomkeerbaar, maar waarvan we mogen hopen dat het tegelijk het begin van een nieuwe tijd is.

Dit is een ingekorte versie van een voordracht op het lustrumcongres van de Radboud Universiteit op 23 mei.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Cleopatra

In het bijschrift bij het artikel Ons verval is onontkoombaar van Paul van Tongeren (14 juni, pagina 17) staat dat Lawrence Alma-Tadema de schilder is van ‘Cleopatra test gif op ter dood veroordeelden’. Dit is onjuist. Het gaat om een werk van de Franse schilder Alexandre Cabanel (1823-1889).

    • Paul van Tongeren