OM moet juist blij zijn met vrijwillige deskundigen

In het artikel ‘De deskundige rukt op in het recht’ over bemoeienissen van vrijwillige deskundigen met de (straf)rechtspraak (NRC Handelsblad, 24 mei) komt een woordvoerder van het Openbaar Ministerie (OM) aan het woord om te onderstrepen ‘dat burger- of deskundigenopsporing aan grenzen is gebonden’. Hij zegt dat als mensen zich langer met een zaak bezighouden, het gevaar lijkt te bestaan dat de objectiviteit uit het oog wordt verloren.

Deze habituele, wat afhoudende opmerking laat naar mijn gevoel zien dat het OM het punt van het artikel heeft gemist: het signaleren van de trend dat er steeds meer hoogopgeleiden komen die zich ongevraagd bemoeien met de kwaliteit van bewijsmiddelen in strafzaken.

Deskundigen analyseren en kritiseren. Ze laten in sommige gevallen zien dat er iets niet klopte met een bewijsmiddel dat is gebruikt voor de bewijsconstructie, of erger nog, dat er iets faliekant verkeerd mee was. Niet leuk natuurlijk voor rechtdienaren en voor het OM om zoiets achteraf te moeten horen. Maar wel nuttig voor de samenleving. Zij sporen daarmee niet op, zoals de woordvoerder meent, maar laten ‘slechts’ zien dat in een bepaalde casus door een rechter gedwaald is. Waarom zou niet iedereen daar blij mee moeten zijn? Dat aan het OM en passant duidelijk wordt gemaakt dat het bewijsmiddel waarmee de officier van justitie de rechter heeft kunnen overtuigen ondeugdelijk was is blamerend, maar niet erg. Dat wordt het pas als er met die achteraf-wetenschap niets wordt gedaan.

Naar verwachting leiden de mogelijkheden van internet ertoe dat het aantal leden van de vrijwillige methodologische recherche in de toekomst zal toenemen, of het OM dat nu leuk vindt of niet.

Een proactieve houding ten aanzien van de nieuwe trend is daarom geboden. Daarvan profiteren alle deelnemers in het strafproces.

Jan Frijters

Maasmechelen