Mummiekunde

Illustratie Anki Posthumus Posthumus, Anki

Ik herinner me een krantenadvertentie waarin de Universiteit Utrecht reclame maakte voor de studie sociale wetenschappen. Studenten konden het programma grotendeels zelf bepalen, werd hun in het vooruitzicht gesteld met zinsneden in de trant van: ‘wanneer je genoeg hebt van sociologie neem je een frisse duik in de massacommunicatie’.

Met dit naar hartelust duiken in het achterhoofd vond ik het verrassend afgelopen maandag in deze krant de boodschap te lezen die de ouders van potentiële studenten nu meekrijgen, namelijk dat studenten die het beroepsperspectief laten meewegen in hun studiekeuze, bij de Universiteit Utrecht aan het juiste adres zijn. Dat frisse duiken in zelfgekozen vakken voldoet blijkbaar niet meer als marketinginstrument anno 2008.

Nu heeft natuurlijk iedereen, en zeker een universiteit, het recht terug te komen van de dwaalwegen van oppervlakkig opportunisme, maar in Utrecht blijken ze de ene dwaalweg voor een andere te hebben ingewisseld. Decaan Wiljan van den Akker liet de ouders die naar de voorlichtingsdag waren gekomen weten dat, als hun kinderen niet kozen voor een studie met arbeidsmarktperspectief, ze in Utrecht aan het verkeerde adres waren. “Voor een studie mummiekunde of spijkerschrift ga je maar naar Leiden.” Gebrek aan eruditie en minachting voor cultuur, dat verwacht je nou niet direct bij een universiteit, maar doet het blijkbaar goed als marketingconcept anno nu.

Maar nu iets heel anders. In hetzelfde bericht over de Universiteit Utrecht vertelt voorlichter Peter van de Wilt dat allochtone ouders meestal kiezen voor ‘veilige’ studies zoals economie of rechten om zich ervan te verzekeren dat hun kinderen later een goede baan krijgen en genoeg geld verdienen. De universiteit nodigde bij een speciale gelegenheid deze ouders uit om onder meer te laten zien dat veel andere studies ook goede perspectieven bieden.

De studievoorkeur van allochtonen vormt inderdaad een serieus probleem, zoals ook bleek uit een mail die ik onlangs kreeg van een leraar die lesgeeft aan een school met voornamelijk allochtone leerlingen. Het gaat, schrijft hij mij, over een zaak die hem als leraar zeer ter harte gaat: ‘Hun voorkeur gaat uit naar economie, rechten, pedagogie e.d. Hun positie op de arbeidsmarkt wordt er zeker niet sterker door. Wie zit er nu te wachten op een rechtenstudent die geen zin fatsoenlijk Nederlands kan schrijven.’ Deze leraar adviseert zijn leerlingen te kiezen voor een opleiding waarin ze ook een baan kunnen vinden. ‘Meestal tevergeefs.’

Studenten aan de pedagogische academie moeten een taal- en rekentoets afleggen. Die eis is er gekomen toen bleek dat hun vooropleiding, ook wanneer die hun formeel toegang verschaft tot een hbo-opleiding, al lang niet meer de garantie vormt voor een voldoende niveau. Zoals taal en rekenen voor onderwijzers van cruciaal belang zijn, zo is een goede schriftelijke taalvaardigheid van essentieel belang voor het verrichten van juridische werkzaamheden. Blijkbaar vormt het eindexamen vwo niet langer een garantie voor voldoende niveau op dat gebied.

Hoogopgeleide allochtonen klagen vaak dat ze worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt. Ik weet niet of dat waar is. Wel weet ik dat het taalniveau van sommige afgestudeerde allochtonen dusdanig ernstig te wensen overlaat dat ik het logisch vind dat ze er niet in slagen een baan te vinden op het niveau van hun opleiding. Als het beroepsperspectief van studenten hun werkelijk een zorg is, zouden hogescholen en universiteiten voor bepaalde studies een specifiek op de taalvaardigheid gerichte toelatingstoets verplicht moeten stellen.

Leo Prick

lgm.prick@worldonline.nl