‘Leraren moeten niet zeuren’

Volgende week spreekt de Tweede Kamer met het kabinet over Dijsselbloem en onderwijsvernieuwing. „De commissie wilde een stevig standpunt.”

Ria Bronneman (Foto SCP) SCP

Toen Ria Bronneman voor het eerst de conclusies van de parlementaire onderzoekscommissie Dijsselbloem onder ogen kreeg dacht ze „nou nou, dat is wel heel heftig”.

Bronneman is onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en in opdracht van de commissie Dijsselbloem schreef ze een van de vijf onderliggende studies op grond waarvan de commissie haar conclusies getrokken heeft over de onderwijsvernieuwing van de afgelopen twintig jaar. De hoofdconclusie was dat „de overheid haar kerntaak, het zekerstellen van de kwaliteit van het onderwijs, de afgelopen jaren ernstig heeft verwaarloosd”. „Die vond ik wel erg stevig”, zegt Bronneman.

Té stevig?

„Het rapport van de commissie Dijsselbloem is een degelijk rapport geworden. Maar er wordt wel erg veel nadruk gelegd op de rol van de politiek. De commissie vertelt daarmee niet het hele verhaal. Er is in het rapport onvoldoende aandacht voor de omstandigheden waarin het beleid tot stand is gekomen. De commissie had kennelijk behoefte aan een stevig standpunt.”

De commissie heeft de politiek te zwartgemaakt?

„Nee, de conclusies over de politiek kloppen, al zijn ze dus wat stevig. Maar er zijn ook andere oorzaken waardoor het onderwijsbeleid slecht heeft uitgepakt.”

Wat is Dijsselbloem vergeten?

„Er is bijvoorbeeld amper aandacht voor het feit dat de economische omstandigheden begin jaren negentig slecht waren en er bezuinigd moest worden. Dat de motivatieproblemen onder scholieren toenamen, en er dus een andere didactische aanpak noodzakelijk was. Dat het opleidingsniveau van ouders steeg, waarmee ook de kritiek op het onderwijs toenam. Dat door de toegenomen immigratie een nieuwe en moeilijke doelgroep bediend moest worden. Kortom: dat onderwijsvernieuwingen noodzakelijk waren.”

Wat mist u verder in het rapport?

„Het probleem dat de politiek amper meer zicht heeft op wat er in het onderwijs op de werkvloer gebeurt. Het veld heeft zich onvoldoende laten horen.”

Dijsselbloem signaleert ook dat de politiek het zicht op de werkvloer kwijt is.

„Ja, maar hij wijt dat aan het feit dat de organisaties hun achterbannen niet meer goed vertegenwoordigen. Hij beschouwt de leraren en de scholen als slachtoffer van het vernieuwingsbeleid. De leraar moet weer meer centraal komen te staan, zo luidt het credo op dit moment. Dat gebeurt echter niet vanzelf. Leraren moeten niet zeuren, maar zichzelf organiseren. Ze hebben nooit een eigen beroepsvereniging opgericht. Dat zou je ze kwalijk kunnen nemen. Bestuurders, schoolleiders, leraren, leerlingen en ouders zouden meer met elkaar in gesprek moeten gaan. Al was het maar om te voorkomen dat er situaties ontstaan waarin ze als het ware tegen elkaar worden uitgespeeld, denk aan de ‘gratis schoolboeken’ en de ‘urennorm’.”

Denkt u dat de commissie deze factoren bewust genegeerd heeft?

„Ik weet het niet. Ze heeft in ieder geval geen gebruik gemaakt van dat deel van mijn achtergrondstudie waarin ik de maatschappelijke, economische en bestuurlijke context heb geschetst. De commissie heeft teruggeredeneerd vanuit het huidige crisisgevoel over het onderwijs. Er was een heel sterk gevoel van: ‘hoe zijn we in deze ellende beland’. Dat vormde het vertrekpunt. De commissie had echter ook een andere benadering kunnen volgen, door meer reconstruerend te werk gaan. In dat geval wordt er vooruitgekeken met de ogen van de beleidsactoren van destijds. Er is dan meer aandacht voor de context, de oorzaken, het waarom van het gevoerde beleid.”

Waarom heeft de commissie louter teruggekeken?

„Hoe groter de maatschappelijke onrust, hoe meer men geneigd is te kiezen voor de terugkijkende benadering. Bij een reconstruerende benadering loopt men namelijk het risico dat men uitkomt bij een zekere legitimatie van wat er is geschied. Met dergelijke conclusies zou het rapport vermoedelijk zeer kritisch ontvangen zijn.”

Een genuanceerd rapport was kritisch ontvangen?

„Ja. Zo’n negatief oordeel viel bijvoorbeeld in 2004 de commissie Blok ten deel, die had onderzocht waarom dertig jaar integratiebeleid onvoldoende was geslaagd. In dat rapport is volgens de reconstruerende benaderingswijze te werk gegaan. De conclusie was dat de integratie van veel allochtonen geheel of gedeeltelijk geslaagd was. De Tweede Kamer was zeer teleurgesteld. Met het rapport is verder weinig gedaan.”

De commissie Dijsselbloem wilde dat er naar haar geluisterd werd.

„Dat mag ik aannemen. Het rapport heeft tot dusver wel de politieke functie vervuld die ermee werd beoogd. Er is onomstotelijk vastgesteld dat er in de verschillende beleidsprocessen van alles fout is gegaan. De schuldige partijen zijn aangewezen. Er kan een punt worden gezet achter een periode van groeiende maatschappelijke onrust over de onderwijsvernieuwingen uit de jaren negentig. Er kan een nieuwe start worden gemaakt.”

Maar nu zitten we dus met een onvolledig rapport.

„De opdracht aan de commissie was misschien te beperkt. Ik vraag me dan ook af of de aanbevelingen van de commissie wel tot beter beleid zullen leiden, indien er niet tegelijkertijd iets wordt gedaan aan de dieper liggende oorzaken die ik net heb geschetst. Als dat niet gebeurt, kunnen dezelfde fouten opnieuw gemaakt worden.”

Meer over Dijsselbloem op nrc.nl/onderwijs