‘Ik hoop ooit bij de ploeg terug te keren’

Vorig jaar nam Michael Boogerd (36) afscheid als profwielrenner. Hij heeft het bijna nog drukker dan voorheen, maar niet met wat hij het liefste zou doen.

Michael Boogerd: „Ik weet dat veel oud-renners hopen dat hun opvolgers niet zo goed worden als zij. Bij mij is het tegendeel waar.” (Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold) honselersdijk michael boogerd foto rien zilvold Zilvold, Rien

De rood-wit-blauwe kampioenstrui opengeritst, een Westmalle Triple binnen handbereik, en zo aan het zwembad in zijn zonovergoten tuin in het Belgische Kapellen bijkomen van een trainingstocht met de Nederlandse Quicksteprenners Steven de Jongh en Addy Engels. „Ja, ik ben weer een beetje begonnen met fietsen”, grinnikt Michael Boogerd (36). „Inmiddels is het alweer zover dat ik bijna baal als ik een dag moet overslaan.”

Na zijn afscheid als profwielrenner, eind vorig seizoen, schoot het fietsen er aanvankelijk bij in. Nu niet meer. „Ik ben geen superfanatieke trimmer”, zegt Boogerd. „Maar eerder deze week kwam mijn broer op de fiets uit Den Haag. Dan pakken we Maarten den Bakker [bezig aan zijn laatste profseizoen] op bij het Hellevoetsplein. Ik rijd ze tegemoet en we rijden samen twee uur terug. Dus ik had vier uur, mijn broer had vier uur en Maarten had drieënhalf of zo. Met tegenwind, we zitten volop te geven. Maarten kan goede hartslagen halen, die traint gewoon goed. Aardig niveau dus. Dat zit er zo in. Vanochtend ging ik losfietsen met Steven en Addy. Zit je constant 37, 38 te rijden. Dat kan ik nog. Niet lang, maar ik kan het nog. Je voelt je nog altijd wielrenner.”

Niet dat hij niets anders te doen heeft. „Het is bijna nog drukker dan andere jaren. Ik heb veel tv-programma’s gedaan. Nu de Tour eraan komt, begint het druk te worden met aanvragen voor presentaties, optredens, fietsclinics. Kan ik een weekend naar Saint-Tropez, samen met mijn vrouw en nog betaald ook, om een halve dag met wat mensen te fietsen. Laatst heb ik in het Olympisch Stadion voor zesduizend kinderen de finale van de nationale sportdag gedaan. Erg leuk. Ik bereid mijn eigen toertocht voor, Boogies Extreme, op 14 september. Het idee is dat het een beetje de tegenhanger gaat worden van de Marmotte – die wil ook elke trimmer ooit rijden. En volgende week zit ik in de Ster Elektrotoer bij de koersdirecteur in de auto, om adviezen te geven over veiligheid en het parcours.”

Tot dit jaar stond de maand juni voor Boogerd volledig in het teken van zijn voorbereiding op de Tour de France, waarin hij twee fraaie ritzeges behaalde, vijfde werd in het eindklassement (1998) en twaalf jaar lang het Nederlandse boegbeeld was. „De Tour leeft voor mij op dit moment helemaal niet”, zegt hij. „Het EK voetbal leeft meer, daar ga ik ook naartoe. Maar de Tour… Het zal een open wedstrijd worden, zeggen ze. Dat maakt het in mijn beleving juist minder. Moet ik enthousiast worden voor een renner als Cadel Evans? Die reageerde vorig jaar heel misselijk tegen ons nadat Rasmussen naar huis was gestuurd. Heel anders dan Contador, Leipheimer en Bruyneel. Jammer dat Contador dit jaar niet meedoet. De beste renners horen in de Tour.”

Zelf zal hij het hooguit vanaf de zijlijn meemaken. „Ik ga de Tour twee keer twee dagen volgen voor Studio Sport. De bergetappes, bij Mart Smeets, een item maken bij de start. Verder ga ik in juli de Tourpleinen langs voor Rabobank. Spelletjes doen, mensen die op de roller tegen mij rijden, activiteiten voor kinderen. En ten slotte op een groot scherm naar de finale van de koers kijken. En in Parijs ben ik voor Rabo bij het slot van de Tour. Nee, het is niet zo dat ik stilval.”

En toch. „Ik mis heel erg de beleving die ik als renner had. Sprak ik vanmorgen nog over met Steven de Jongh. Werken naar een doel, daar alles voor over hebben. Dat was jarenlang mijn leven. Ergens opdraven, dat doe je gewoon. Op je naam, zonder specifieke voorbereiding. Ik ben van de straat, dat wel. Maar ik heb in mijn kop nog steeds geen afscheid genomen. Hangt misschien samen met de manier waarop ik ben gestopt. Het afscheid zelf was mooi, de hele periode daarna ook. Qua reacties, waardering. Maar ik kom er nu achter dat ik in mijn kop nooit echt afscheid heb kunnen nemen. Dat heeft met die val in Lombardije te maken, waardoor ik mijn laatste grote wedstrijd miste.

„Ik vind het eigenlijk nog veel te leuk om af en toe met m’n lichaam bezig te zijn, te sporten. En je houdt het gevoel dat je niet hoefde te stoppen. Op het WK vorig jaar was ik nog een van de beste renners. Je ziet Maarten den Bakker en Steven de Jongh nog heel goed rijden. In het voorjaar drukken jonge Nederlandse renners hun neus aan het venster. Ik denk dat ik nog mee had gekund. Ik ken mezelf: ik was er waarschijnlijk wel weer scherp van geworden om die jonge gastjes nog één keer te laten zien wie de beste is, ook op trainingsgebied. Niet dat ik dat nu nog wil. Maar het had gekund.”

Laatst sprak hij uitgebreid met Sébastian Langeveld, de jonge uitblinker in de Ronde van Vlaanderen. „Hij vertelde hoe hij als junior en amateur naar mij keek, hoeveel respect hij voor mij had. Dat wist ik helemaal niet! Ik kijk nu met respect naar hem. Goede renner, die het ver kan schoppen. Zeker qua beleving een van de besten in Nederland. Maar zo iemand moet je wel op een bepaalde manier begeleiden. Je moet hem ruimte geven om dingen zelf uit te vinden, maar je moet zo’n jongen ook kietelen op een bepaalde manier. Daar beleef ik plezier aan, als ik met dit soort jongens praat.”

Logisch dat de Rabobank hem na zijn afscheid bij de wielerploeg wilde betrekken. Naar een functie werd gezocht, tot hij in april bij de nieuwe directeur Harold Knebel moest komen. Plotseling hoorde Boogerd dat er geen plaats meer voor hem was bij de ploeg, en dat hij alleen nog promotionele activiteiten moest verrichten voor de sponsor. „Het ligt voor mij moeilijk om hierop inhoudelijk in te gaan. De afronding van het contract dat ik met Rabo had, is goed gegaan. In goed overleg hebben we besloten om niet met elkaar verder te gaan. Toch blijft het voor mij een teleurstelling.”

Waarom? „Financieel is het geen probleem. Maar de Raboploeg is ook altijd een beetje mijn kindje geweest. Ik heb er mijn hele carrière gefietst, op een fijne manier. Deze sponsor heeft me altijd goed behandeld. Voor mij was het een soort automatisme dat ik verder zou gaan bij die ploeg. Zoals het is gegaan met veel andere oud-profs die lang tot tevredenheid bij Rabo hebben gefietst. Ik zeg niet dat ik niet met respect ben behandeld. Maar ik vind het een teleurstelling dat ik niets meer met de ploeg te maken heb.”

Oud-collega’s als Erik Dekker en onlangs Jan Boven werden direct na hun loopbaan betrokken bij de profploeg. „Ze hebben mij in het begin gevraagd voor de opleidingsploeg van Nico Verhoeven”, zegt Boogerd. „Eigenlijk, als ik er nu over nadenk, is dat hartstikke leuk. Echt iets voor mij. Zeker nu het seizoen in volle gang is, merk ik dat ik het wielrennen mis. Ik ben er van overtuigd dat ik iets kan betekenen voor jonge renners. In het verleden heb ik hun mentaliteit wel gehekeld. Dat was een van de redenen waarom ik na mijn carrière eerst wat afstand wilde nemen. Als je zelf fietst kijk je er anders tegenaan. Ik wil niet altijd negatief overkomen, maar me juist inleven hoe zo’n jonge gast denkt. En sowieso vind ik het niet goed om als ex-renner gelijk in de ploegleidersauto te stappen. Je kunt niet van de ene op de andere dag mensen de les lezen met wie je daarvoor bij wijze van spreken nog een biertje dronk. Dus zei ik bewust: nog even niet.”

Inmiddels zou hij niets liever willen. „Ik hou van wielrennen. Dan is het voor mij een hard gelag dat ik niet meer bij de Rabobankploeg betrokken ben. Voor die ploeg heb ik twaalf jaar mijn ziel en zaligheid gegeven. Ineens stopt dat, terwijl je ervan uitging dat het door zou gaan. Dat blijf ik jammer vinden. Ik hoop dat ik ooit bij de ploeg kan terugkeren. Vooral omdat ik met de mensen heel goed overweg kan. Langeveld, Thomas Dekker, Gesink, Weening: allemaal jongens die iets aan mij kunnen hebben. Met het personeel had ik een goede band. Financieel is het altijd super geweest. Was ook de verdienste van Jan Raas en Theo de Rooij. Maar er is veel veranderd en er is momenteel geen plek voor mij. Ik hoop echt, uit de grond van mijn hart, dat ik ooit kan terugkeren.”

Een van de redenen voor de breuk tussen Rabo en Boogerd zou diens openhartigheid in de media kunnen zijn. „Ik werd wel eens aangevallen omdat ik verkeerde dingen zou hebben gezegd. Maar ik was ook altijd degene aan wie de vraag werd gesteld. Andere renners konden gewoon de deur dicht doen. Als er een kwestie was, werd Michael Boogerd gebeld. Dan moest ik zeggen: geen commentaar. Werkt het maar zo simpel, hoofd afdraaien en geen commentaar. Ik kan dat niet. Je probeert het voor iedereen goed te doen, voor je sponsor en het wielrennen. Ik ben allang gestopt, maar als er iets speelt ben ik nog steeds degene die wordt gebeld. Zal ik het toch niet zo slecht doen.”

De beslissing van de Nederlandse wielerploeg ten spijt, Boogerds populariteit is onverminderd groot. „Van de week kwamen ze een filmpie maken met de pakkensponsor van de ploeg. Typerend wel. Ik ben niet meer bij de ploeg aangesloten, ze kunnen alle andere renners kiezen. Maar deze sponsor wil het liefst mij.” Ook de houding van het publiek is nauwelijks veranderd. „Ik merk dat te veel mensen mij nog altijd zien als dé Nederlandse wielrenner. Erik Dekker heeft meer koersen gewonnen, maar ik sprak blijkbaar erg aan. Ik gaf een bepaalde strijd, was altijd oprecht naar pers en publiek. Ik denk dat de mensen dat een beetje missen. Daarom ben ik overal nog een soort halve held. Misschien wel bij gebrek aan andere wielerhelden in Nederland.”

Potentiële opvolgers als Thomas Dekker en Robert Gesink volgt hij positief kritisch. „Thomas doet z’n best maar heeft een slecht moment als hij twintig kilometer voor het einde afstapt in de Ronde van Romandië. Ik heb hem gezegd dat zoiets niet goed is. Je moet durven verliezen.” En Gesink had van hem best de Tour mogen rijden. „Ze kiezen voor de Vuelta, ongetwijfeld vanuit de beste bedoelingen. Maar wat is er mooier voor een jonge renner dan presteren in de Tour? Dat kan je zo’n boost geven. En het publiek zit er op te wachten.”

Boogerd zelf ook. „Ik weet dat veel oud-renners hopen dat hun opvolgers niet zo goed worden als zij. Bij mij is het tegendeel waar. Ik geniet van jonge renners die goed presteren, daar wil ik mijn steentje aan bijdragen. En dat gaat ook zeker een keer gebeuren.”