‘Ik heb alles gezien’

„Als ik nog helder denk, komt dat doordat ik ertoe word gedwongen.” De nestor van de politieke columnisten, Mr. J.L. Heldring, weet ook op zijn 90ste niet van ophouden. „Het kan zijn dat ik achter de typemachine verander in een droogkloot.”

‘Je kan toch niet de godganse dag naar het museum gaan, of lezen?’ Foto Vincent Mentzel Jerome HELDRING,oud-hoofredacteur en commentator NRC Handelsblad. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Den Haag, 27 mei 2008 Mentzel, Vincent

Hij is overtuigd conservatief, houdt meer van analyseren dan van moraliseren, heeft een goed historisch besef, typt zijn columns, laat zich in het openbaar niet kennen bij zijn voornaam, is tegendraads en encyclopedisch erudiet.

Komen die kwalificaties u bekend voor?

„Ik lees wel eens dat dit over mij wordt gezegd, ja.’’

De termen stonden in de necrologieën die vorige maand verschenen bij het overlijden van socioloog J.A.A. van Doorn.

„Oh ja, dat las ik ook. Met hem had ik affiniteit. Sommige omschrijvingen kloppen ook wel met mij. Zijn conservatisme is min of meer mijn conservatisme. Van Doorn heb ik altijd een verwante geest gevonden. Maar het grote verschil met mij is dat Van Doorn en een andere man die ik ook erg bewonderde, de vorig jaar overleden Bart Tromp, vakmensen waren. ‘Die hadden ervoor geleerd’, zoals dat heet. Wat zij beweerden, was toch meer systematisch onderlegd dan mijn columns. Ik heb rechten gestudeerd, een studie waar ik na mijn doctoraal nooit meer iets aan gedaan heb. Dus dat heeft niet bijgedragen aan mijn kennis of inzichten.

Van Van Doorn en Tromp stak ik verschrikkelijk veel op. Zij hadden zeer gefundeerde meningen en het gaat mij om de fundatie en de argumentatie. Hun overlijden is een groot verlies.’’

U heeft in één jaar tijd twee intellectuele bondgenoten verloren?

„Dat zou je zo kunnen zeggen. Van Doorn heeft een groot boek geschreven: Moderne Sociologie. Dat heb ik geeneens gelezen. Ik heb nooit een echt boek geschreven. Mijn columns zijn alleen maar gebundeld. Van Doorn en Tromp zijn echte academici. Ik geloof eerlijk gezegd dat, objectief beschouwd, ik meer van hen heb opgestoken dan zij van mij.

„Ik zag dat Van Doorn, die ik al jaren niet meer heb gezien, ook wel waardering voor mij had. Toen ik 85 werd, schreef hij een heel aardige column over mij in Trouw. („Heldring is uiterst consistent in zijn interpretatie van de maatschappelijke werkelijkheid. Het heeft hem levenslang behoed voor de waan van de dag.’’) Daar was ik erg verguld mee. Juist van hem komende.”

Hoe vond u het dat Ben Knapen – uitgerekend een van uw vrienden en, net als u, hoofdredacteur van NRC Handelsblad – in 1990 het vertrek van huiscolumnist Van Doorn veroorzaakte door hem ‘onbetamelijk handelen’ te verwijten na het schrijven over De Joden?

„Dat vond ik nogal kras. Ben Knapen heeft het wel eens zijn grootste fout genoemd. Misschien had Van Doorn een onvoorzichtigheid begaan door te spreken over de Joden in plaats van Joden. Dat was een slip of the pen. Maar Van Doorn had de gelegenheid moeten krijgen om in zijn volgende column zelf een soort correctie te maken. Maar het was geen onbetamelijkheid, zo was die man niet.’’

Had u als oudere collega Knapen niet kunnen bellen, zodat hij zijn fout had kunnen herstellen?

„Nee, dat doe ik niet. Stel je voor, zeg! Dat had ik zelf ook niet prettig gevonden, als voorgangers zich met mijn beleid hadden ingelaten. Ik bemoei me nooit meer met de krant. Dat zou onfatsoenlijk zijn.’’

Voor de deur van zijn appartement zit een witte gans. Van plastic. En iets verderop staat een kast met stukgelezen boeken van schrijvers als Willem Elsschot en Louis Couperus. Voor deze zaken is geen ruimte in de Haagse verzorgingsflat waar de negentigjarige Jérôme Louis Heldring met zijn echtgenote sinds vijf jaar woont. Op de hoogste, tiende verdieping is het uitzicht buiten en binnen fraai. De Haagse skyline blinkt in de verte en aan de muur van de woonkamer schittert een groot schilderij – zicht op De Schelde – van de Vlaamse kunstenaar Richard Baseleer.

Zes maanden geleden vierde mr. J.L. Heldring – die in 1945 zijn journalistieke loopbaan begon bij de NRC (Nieuwe Rotterdamsche Courant) – zijn negentigste verjaardag. Sinds 1960 schrijft hij onafgebroken in de krant zijn rubriek Dezer Dagen. En de nestor van de politieke columnisten van Nederland weet nog niet van ophouden.

Toch kondigde hij, aan de vooravond van zijn bijna vijftigjarig columnistenjubileum, in zijn rubriek wel een opvallende koerswijziging aan. Het uitgangspunt van Heldring is naar eigen zeggen altijd geweest: de Nederlanders betrekken bij de wereld om hen heen. Maar de positie van Nederland is internationaal steeds minder van belang. „The Dutch are always right, but seldom relevant”, citeerde hij op 1 november 2007 een gezegde onder diplomaten. Om die reden richt Heldring zich tegenwoordig meer op „het binnenlandse discours, waaraan mijn bijdrage, naar ik mij soms verbeeld, relevanter is’’, schreef hij. Ook al heeft dit debat „onmiskenbaar provinciale trekken.’’

„Het is een proces dat ik als toeschouwer van mezelf ontdekte’’, zegt hij nu.

Toch laat u zich opvallend weinig in met de voornaamste kwestie in Nederland: het multiculturele debat. Waarom is dat?

„Ik kan me niet overal in verdiepen. Er zijn dingen die ik laat lopen. Ik vind het ook niet mijn taak me overal mee te bemoeien. Dat vereist de nodige kennis van zaken. En je moet niet vergeten dat naarmate je ouder wordt, je ook niet vreselijk veel zin hebt om je ergens diep in te verdiepen. Ik teer nog altijd op mijn intellectuele kapitaal. Er zijn talloze onderwerpen waar ik niet genoeg van weet om er ook uitspraken over te kunnen doen. Ik maak hooguit enkele terloopse opmerkingen. Er zijn grote lacunes in mijn kennis. U moet ook niet proberen om me nu uitspraken hierover te ontlokken.”

Maar het binnenlandse discours gaat toch alleen nog maar over integratie?

„Ja, maar ook daar laat ik mazen in mijn net vallen. Dan moet ik dat boek van Paul Scheffer gaan lezen (Het land van aankomst, mh). En daar kom ik niet meer toe. Ik lees alleen nog maar boeken die me toegestuurd worden. En boeken die ik voor mijn plezier lees. Veel literatuur. Een paar jaar geleden heb ik alles van Marcellus Emants opnieuw gelezen.”

U laat zich wel af en toe kritisch uit over de nieuwe generatie politieke leiders.

„Ja, ik ben ook helemaal niet optimistisch over de ontwikkeling van de democratie in Nederland. Ik geloof niet dat de meeste mensen democratisch gezind zijn. Mensen willen niet nadenken. Ze vinden het heel prettig dat iemand voor hen beslist. Bovendien is de materie zo verschrikkelijk ingewikkeld dat je de neiging krijgt, die iedereen en dus ook mij eigen is, om te zeggen: zoek het maar uit. Maar mensen behouden zich wel het recht voor te bekritiseren wát leiders hebben uitgezocht. Zo is het weer wel.’’

„Politici komen steeds vaker aandragen met eenvoudige oplossingen. Neem nou Rita Verdonk. Ze luistert eerst naar de mensen en dan gaat ze uitvoeren, zegt ze. Maar de mensen willen allemaal verschillende en tegenstrijdige dingen. Het klinkt leuk, maar het is onzin. En na de volgende verkiezingen kunnen dit soort mensen door hun groeiende aanhang een kabinetsformatie vrijwel onmogelijk maken.’’

Bent u niet Trots op Nederland?

„Neen, dat is toch te gek voor woorden. Verdonk is ook helemaal niet trots op Nederland. Ze heeft kritiek op alles. Kijk, als een Nederlander de Nobelprijs wint, vind ik dat ook prettig. Het doet me meer dan wanneer een buitenlander wint. Maar trots? Zoiets is toch niet mijn verdienste?”

En u bent ook al niet trots op Geert Wilders. Vier jaar geleden schreef u al dat het kapsel van de man een beletsel is om hem serieus te nemen.

„Ja, dat heb ik schertsenderwijs geschreven. Maar niet zonder een grond van waarheid. Een man die met zo’n kapsel rondloopt, is raar. Hij moet kennelijk iets hebben om zich op de een of andere manier te onderscheiden. Ik weet niet wat het is. Maar ja, het schijnt hem electoraal niet te deren.”

U heeft een beetje dezelfde kleur haar als Wilders?

„Hij heeft het toch heel licht blond? Ik ben grijswit.’’

De enkele keer dat u schrijft over de nieuwe populisten noemt u Verdonk, Wilders en Marijnissen in één adem. Zijn zij identiek?

„Ik heb meer waardering voor Marijnissen. Niet als politicus, maar als mens. Ik waardeer zijn goedmoedigheid en zijn humor. Hij heeft zich voor een maoïst intelligent ontwikkeld. Hij koketteert met gelovigen en weet een man als Huub Oosterhuis als lijstduwer bij zijn partij te betrekken. Dat is buitengewoon slim en handig van hem. Hij heeft een catch all partij. Van echt socialisme is niet vreselijk veel over, maar het is veel minder politiek vanuit de onderbuik dan Wilders en Verdonk. Maar uiteindelijk vissen ze allemaal in dezelfde electorale vijver.’’

Hebt u genoten van de film Fitna?

„Niet gezien. Daar ben ik te oud voor. Ik ga haast nooit meer uit, zit niet in de bioscoop en kijk op tv ook niet meer naar al die praatprogramma’s. Die worden bovendien vaak uitgezonden op een uur dat ik al in bed lig. Dat eindeloze gepraat, daar heb ik geen geduld voor. En ik vind ook niet dat iemand van mij kan eisen dat ik op mijn leeftijd dat wel allemaal bekijk. Het zou misschien kunnen dat als de hoofdredactie dit leest, ze zeggen: we moeten maar gauw een einde maken aan die rubriek van Heldring. Maar ja, dan moet dat maar.

„Wat tot mij komt, daar neem ik kennis van, maar ik ga er niet op uit. Dat moeten anderen maar doen die nog wel de fut ervoor hebben. Vroeger ging ik heel veel naar musea. Dat kwam voort uit mijn jeugd. Mijn vader was geïnteresseerd in kunst en sleepte zijn kinderen dwangmatig van het ene naar het andere museum. Daar deed ik religieus aan mee. Maar nu ga ik niet meer. Ik heb alles gezien.”

Heeft u zich achteraf gezien vaak vergist in uw columns?

„Een enkele keer. Ik heb in de jaren zestig geschreven dat het CDA nooit tot stand zou komen. Ik dacht dat die bloedgroepen, de cultuur van de samenstellende delen, toch te verschillend waren. Daar heb ik mij in vergist. Merkwaardig genoeg, dat katholieken en protestanten één partij konden vormen. En ik begrijp het nóg niet.”

Ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag is er door Heldrings jongste dochter Eliane en kleinzoon Jasper Boon een liber amicorum samengesteld. In het boek schrijft de man die samen met Heldring hoofdredacteur van NRC Handelsblad was, André Spoor, trots te zijn dat de column Dezer Dagen van de hoogbejaarde journalist „onze krant blijft sieren, ondanks allerlei moderniseringen waarover ik vaak mijn hoofd schud”.

Ergert u zich ook aan de veranderingen van de krant?

„Nou ja, Spoor heeft er meer last van dan ik. Ik denk ook wel eens: goh, moet dat nou? Maar ja, dat zijn cultuurverschillen tussen generaties. Ik vind het opleuken niet nodig. Maar Jensma (hoofdredacteur van NRC Handelsblad van 1996-2006) heeft ook wel eens in een interview gezegd daar tegen te zijn. Toen dacht ik ‘nou, dan heeft hij een ander idee over opleuken dan ik’. Maar die veranderingen moet je maar voor lief nemen. Ik ga daar als oud-hoofdredacteur geen bezwaar tegen maken.’’

Heel oude collega’s vertellen dat de journalistieke cultuur bij de NRC in uw tijd wel geheel anders was. Ook als ze bijvoorbeeld uit het redactieraam een grote brand zagen, werd er in de krant pas over bericht als via de telex werd bevestigd dat er een grote brand was. Herkent u dat?

Heldring lacht hard. „Dat is waar, zij het een beetje overdreven. In de tijd dat ik onder hoofdredacteur Stempels bij de NRC werkte, werd er gezegd: nieuws is pas nieuws als het in de NRC heeft gestaan. Ik vond dat toen al dodelijk. Want dan gaan mensen alleen maar op hun gat zitten en zeggen: we hoeven niets te doen. En Stempels zei ook: politiek begint pas te spelen als het in het parlement is. Dat is natuurlijk niet waar. Van een politieke redacteur wilde hij niets weten. Die kwam er pas eind jaren zestig. Dat was de sfeer.”

„Voor de oorlog was het nog erger. Ik hoorde in het begin van mijn loopbaan verhalen over mr. G.G. van der Hoeven (hoofdredacteur van de NRC van 1910-1936). Hij was een grand seigneur. Op een gegeven moment had een vrind tegen hem gezegd: ‘U moet toch eens naar Den Haag gaan om met die-en-die te spreken.’ Toen zei Van der Hoeven: ‘Als de heren mij willen spreken, dan weten ze mij wel te vinden.’ (Heldring lacht luid). Prachtig natuurlijk, maar ja, dat kan natuurlijk nu niet meer.”

„Je vraagt je af hoe het kan dat in het buitenland wel nog ruimte is voor degelijke kranten als bijvoorbeeld de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Is dat een journalistieke of een culturele kwestie? Hebben Nederlanders geen behoefte aan een krant als de Neue Zürcher Zeitung? Ik vind de beste krant The Financial Times. Uitstekende korte, persoonlijke reportages uit alle landen en een hele goede opiniepagina. Ach ja, misschien zijn Nederlanders wel oppervlakkiger.”

De stelregel van Heldring is dat een journalist vragen moet stellen in plaats van „de lezer doodgooien met je meningen”. De columnist moet de lezer aanzetten tot nadenken, schreef Heldring in mei nog eens in een column. Maar in interviews aarzelt hij niet om lezers op stellige uitspraken te trakteren. Opinies die soms ook nog eens geheel fout blijken. Tegenover Max Pam voorspelde hij in 1979 in het weekblad Vrij Nederland bijvoorbeeld het einde van het koningshuis. ‘Al die jongetjes krijgen straks toch maar schertsbanen en gaan aan de drugs of maken een meid zwanger’, aldus Heldring.

U lijkt wel Jan Blokker in die vraaggesprekken.

„Ik heb natuurlijk wel meningen. Misschien heb ik angst dingen zwart-wit neer te leggen. Het kan zijn dat ik achter die typemachine verander in een droogkloot.

„Ik zal die dingen in de hitte van het gesprek wel hebben gezegd. Uiteindelijk is het allemaal meegevallen met het koningshuis. We gaan nu een tijdperk tegemoet dat er voor het eerst sinds 1890 weer een man gaat regeren. En dat is anders. Het publiek staat tegenover een vrouw anders dan tegenover een man. Bij een vrouw ziet men meer door de vingers. Een vrouw heeft het immers toch altijd al moeilijk en is bovendien nog moeder ook. Daardoor had Juliana ook zo’n reusachtige populariteit als koningin. Nu krijgen we een man die natuurlijk veel in uniform gaat rondlopen. Maar hij heeft gelukkig een lot uit de loterij gekozen met Máxima. Zij is het populairste lid van het koningshuis. Dat is een wonder. Daardoor ben ik minder stellig over de teloorgang van het koningshuis.”

„Als je het in een groter politiek verband gaat zien, is het eigenaardig. Het koningshuis is natuurlijk een typisch nationaal symbool waar de mensen niet vanaf willen. Maar eigenlijk past het niet in Europees verband. Hoe pro-Europees het koningshuis ook is, want Juliana wilde zichzelf geloof ik het liefste afschaffen ter wille van Europa.”

Bent u als man met het zelfverklaarde pessimistische mensbeeld met het klimmen der jaren milder geworden?

„Ik ben milder over de mensen. Vroeger oordeelde ik scherper. Ik begrijp nu wel dat ze fouten maken of hoe ze zijn. Ik vraag me ook vaker af: wat zou ik gedaan hebben in een soortgelijk geval?”

Dat is niet goed voor een columnist, lijkt me?

„Neen, het is niet goed. Maar ja, het hangt ervan af hoe je de column ziet. Ik ben natuurlijk niet zo vreselijk polemisch. Zeker niet op de mens gericht. Behalve over Wilders, maar dat was schertsend.”

Staat uw leven in dienst van het schrijven van uw column?

„Het is een bezigheid. Discipline.”

Het houdt u van de straat?

„Ja, en het concentreert mijn denken. Ik wil niet zeggen dat het me helemaal in beslag neemt, maar het helpt je te concentreren. Ik geloof dat als ik nu nog een beetje helder denk, dat komt doordat ik steeds word gedwongen te denken. Dat is een stok achter de deur. Wat zou ik anders doen, zeg? Ik zou het goddomme niet weten. Je kan toch niet de godganse dag naar het museum gaan, of lezen?”

Columns schrijven is een overlevingsstrategie?

„Misschien wel. Het helpt mij om te overleven. De meeste van mijn vrinden zijn dood. En met heel veel van mijn leeftijdgenoten zijn ook eigenlijk geen interessante conversaties te voeren, omdat ze het allemaal niet meer zo volgen. Dat is helaas het geval. En ik ben geen lid van clubjes. Dus ik zie ook eigenlijk heel weinig mensen. Ik heb niet veel gesprekspartners meer.”