Het tragische verval van de castraat als freakshow

Theater De Monstruos y Prodigios door Claudio Valdés Kuri & Teatro de Ciertos Habitantes. Gezien: 11/6 Stadsschouwburg Amsterdam. Vanavond herhaling. Inl. www.hollandfestival.nl

Een Siamese tweeling, een oriëntaalse eunuch, een centaur en een castraat die oogt als een reuzenbaby. Het is een vreemd gezelschap dat het Mexicaanse ensemble Teatro de Ciertos Habitantes opvoert in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Ook Napoleon laat zich zien, op een wit dressuurpaard. De presentatie van hun voorstelling De Monstruos y Prodigios (Over monsters en wonderen) getuigt van een feestelijke overdaad.

De groep brengt de geschiedenis van de castraatzangers als een freakshow – waar de castraten ook een beetje toe gerekend mogen worden. In de operageschiedenis zijn castraten innig geliefd geweest; zij waren de engelen van de zangkunst, jongens die geen mannen waren en transformeerden tot vrouwelijke verschijningen. Castreren heette eufemistisch ‘verzachten’. Countertenor Javier Medina is één van de weinige hedendaagse zangers die de stem van de castraten weet te benaderen.

Om stemmen draait het in De Monstruous y Prodigos. De Siamese tweeling is met een zeventiende-eeuws kostuum met elkaar verstrengeld en vertelt enerverend de geschiedenis van de castraten; die is goddelijk en tegelijk huiveringwekkend. Castraten onderling waren in felle strijd gewikkeld. Een van de hoogtepunten is de oorlog der virtuozen die de tweeling vertolkt, met de echte castraat als winnende derde: de zangers bieden tegen elkaar op, krijsen, verknallen de muziek. De uitzinnige kostumering met pruiken, blauwe pluimen en glitter past in de al even uitbundige operatraditie. Een boze bezoeker die begint te schelden en geld terug wil, past in de exuberante sfeer. De Franse Revolutie wordt verbeeld door het publiek te bekogelen met een regen van witte broodjes. We maken even onderdeel uit van de opera als Italiaans sociaal fenomeen.

Regisseur Claudio Valdés Kuri neemt de glorie en het tragische verval van de castraatzanger als leidraad voor een reis door de zanggeschiedenis. In duizelingwekkende vaart bieden de uitstekend zingende spelers een staalkaart van muziek van nu, waaruit alle verhevenheid is verdwenen. Als geestige geste naar het Amsterdamse publiek worden ook Nederlandse fragmenten gezongen: Geef mij maar Amsterdam van Johnny Jordaan en Mexico van de Zangeres Zonder Naam. De stijlvolle kostuums moeten plaatsmaken voor grauwe vodden. De gehalveerde tweeling verandert in een duo van zwervers. De centaur sleept zichzelf als een lam dier door het zand. Ze zijn gemutileerd.

Het slot van de voorstelling is ontroerend. De eenzame virtuoos, gevangen in koud licht, luistert naar een krakerige opname uit 1904 van Alessandro Moreschi, de enige castraat van wie de stem is vastgelegd. Hij zingt Ave Maria van Bach/Gounod, met een bovenaards klinkende hoge B. Het is een stem vol weelde en tragiek, uit een andere tijd, mysterieus en hemels. Melancholie blijkt opeens de sleutel tot dit innemende spektakel.