Godsdienst beschermt de mens tegen de pretentie van de wetenschap alles te kunnen verklaren

De functie van religie is niet meer om, zoals in de Middeleeuwen, één sluitende visie op de wereld te bieden. Naast het algemene wetenschappelijke verhaal kan godsdienst betekenis geven op het unieke niveau van een individu. Dat maakt religie ‘echter’ dan kunst en literatuur.

Ger Groot

Docent filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Recente boeken zijn ‘De gelukkigste illusies: over kwaad en verlossing’ en ‘Het krediet van het credo: godsdienst, ongeloof, katholicisme’.

Nog altijd lopen de emoties hoog op wanneer in een discussie het verschijnsel ‘religie’ ter sprake komt. Heeft de wetenschap niet ten overvloede duidelijk gemaakt dat goden of bovenwerelden niet bestaan? En leert de geschiedenis niet dat godsdiensten voortdurend tot oorlog hebben geleid, omdat religieuze overtuigingen zichzelf nu eenmaal niet weten te relativeren? Wanneer wordt de mensheid eens wijzer, zodat zij voor eens en altijd van deze plaag zal zijn verlost?

Die moedeloosheid is begrijpelijk, want vooralsnog ziet het er niet erg naar uit dat de godsdienst spoedig zal uitsterven. Zoals het thema ‘Hemel en Aarde’ van het Holland Festival van dit jaar illustreert, is de fascinatie ervoor springlevend. Helemaal overtuigend kunnen de argumenten die sinds de Verlichting tegen de religie zijn ingebracht dus niet zijn.

Neem het cliché van de godsdienstoorlog. Ongetwijfeld heeft de historie er daarvan vele gekend. Maar zeker in Europa moet men daarvoor inmiddels wel erg ver naar het verleden terug. Aan de Eerste en Tweede Wereldoorlog kwam geen religie te pas; aan de Frans-Duitse oorlog van 1871 evenmin. Napoleons oorlogen waren veeleer anti-religieus, net als die van het Sovjetrijk. Vietnam, Abessinië, de Boerenoorlog, Japan-Rusland, de Chileense Salpeteroorlog, de Falklands of Irak: theologische argumenten zijn er nauwelijks aan verspild geweest. Hoogstens dienden die, zoals in de Spaanse Burgeroorlog, als ideologisch steunvuur voor de eigenlijke, sociaal-economische beweegredenen van het conflict.

Oorlogen zijn de afgelopen eeuwen om talloze redenen gevoerd: het ras, het proletariaat, de mensenrechten – en altijd om bezit en land. Wel nemen die motieven vaak een quasi-godsdienstige status aan: onaantastbaar en ononderhandelbaar. De graagte waarmee het Westen inmiddels bereid is gewapenderhand de mensenrechten te verdedigen, wedijvert in overtuigingsvuur met de meest fanatieke gelovigen uit een ver verleden.

Dat is geen argument tegen de mensenrechten, maar leert wel iets over het tragische lot van íedere overtuiging die haar beperkingen niet kent. Wanneer het geloof te veel aandringt, wordt het oorlog. De ironie van de geschiedenis wil dat het vandaag de dag vooral militante atheïsten zijn die mensenrechten, vrije meningsuiting en absolute zelfbeschikking desnoods gewapenderhand over de aardbol willen verspreiden.

De aantrekkingskracht van de echte religie is daarmee nog niet verklaard. Verzet tegen de bevindingen van de wetenschap is er in ieder geval niet de beweegreden van. Er is nauwelijks nog een gelovige te vinden die weigert aan te nemen wat in de moderne kennis onwrikbaar bewezen is. Zelfs de huidige mode van het intelligent design wijst eerder op een religieuze overschatting van de wetenschap dan op een onderschatting daarvan. God wordt niet tegenover haar gesteld, maar plausibel gemaakt binnen haar grenzen. En daarmee wordt de wetenschap een criterium voor het geloof en niet, zoals men meestal meent, andersom.

Hetzelfde geldt voor de embryodiscussie die de afgelopen twee weken in Nederland heeft gewoed. Het ‘gelovig’ verzet tegen prenatale selectie wordt minder gevoed door een bijbels verbod dan door de vraag in hoeverre de mens via genetische technieken aan zichzelf mag en moet sleutelen. Dat is een vraag die ieder mens zich weleens gesteld zal hebben en die dan ook niet lichtvaardig kan worden afgedaan. Dát was de inzet van de discussie – niet een obscurantistische godsdienstigheid die over iedere moderne vooruitgang hel en verdoemenis afroept.

Niet tegen de wetenschap keert de moderne godsdienstigheid zich dus, maar wel tegen bepaalde implicaties daarvan. Daarin reikt de wetenschap als het ware over zichzelf heen en schept een nieuwe cultuur en manier van denken van de mens over zichzelf. Wetenschap en de door haar voortgebrachte techniek roepen zo een wereldbeeld op dat zelf niet meer wetenschappelijk is, maar zich op de bevindingen daarvan wel beroept – zonder aan de andere kant op te houden ‘wereldbeschouwing’ of ‘levensovertuiging’ te zijn. In die verwarring kan het voorkomen dat artsen ertoe oproepen beslissingen over gentechnologie over te laten aan ‘deskundigen’, onder wie zij met grote vanzelfsprekendheid wél medici en celbiologen, maar geen ethici of filosofen blijken te verstaan.

De aantrekkelijkheid van de godsdienst binnen een wetenschappelijke cultuur wortelt in die dubbelzinnigheid van het wetenschappelijke wereldbeeld zelf. Ze is dan ook van een heel andere aard dan die van de godsdienst in een pre-moderne wereld. In die laatste liggen geloven en weten nog in elkaars verlengde. Tezamen beschrijven zij een wereld waarin alles zijn plaats heeft. De opbouw van de werkelijkheid harmonieert met de opdracht die de menselijke persoon daarin voor zich ziet weggelegd: niet alleen als biologisch wezen, maar ook en vooral als denkend en handelend individu.

In de moderne tijd heeft de wetenschap de wereld steeds meer leren zien als een proces met immanente wetten. Haar kennis kon weliswaar nog niet alles verklaren, maar koestert wel de hoop dat ooit wel te kunnen doen. Zij leeft van de droom van een theory of everything die niets meer in het duister zal laten. Daarbij is haar visie op de werkelijkheid echter ingrijpend veranderd. Terwijl de feiten door haar steeds uitputtender werden beschreven, moest zij de menselijke betekenis daarvan steeds resoluter buiten haar gezichtsveld bannen.

Wetenschap bouwt aan een structuur van algemene wetten die kunnen worden toegepast op afzonderlijke feiten. Ze beschrijft hoe de objectieve werkelijkheid werkt, maar heeft daarvoor de prijs moeten betalen van een methodische blindheid voor iedere subjectieve werkelijkheid. Wat de wetten van het menselijk gedrag zijn, weet ze overtuigend te verklaren. Maar hoe ik denk en waarom ik doe wat ik doe interesseert haar ten hoogste marginaal: als het ‘geval’ dat zo snel mogelijk in algemene kennis moet worden overstegen.

Voor mijzelf ligt de orde van belang echter precies omgekeerd. Wat de wetten van het denken zijn, wil ik als ontwikkeld mens graag weten, maar wat ik denk, gaat mij van minuut tot minuut ten diepste aan: niet als het symptoom van een algemene wetmatigheid, maar als het wezen van datgene waarin ik nu juist ‘ik’ ben. Voor het leven dat wij leiden doet de algemeenheid er immers maar weinig toe. Zij vormt een horizon van ongetwijfeld heel betrouwbare zekerheden, die ons echter zelden werkelijk nabij komt. Wat ons interesseert is nu juist wat zij schuwt: het eenmalige, individuele dat in de algemene wet teloor gaat. De liefde tot mijn kind mag dan een biologische basis hebben, in de liefde die ik voel kan dat biologische inzicht mij gestolen worden.

Het is op dat punt dat de godsdienst om de hoek komt kijken. Wel heeft ook die op zijn beurt een gedaanteverandering moeten ondergaan. Godsdienst heeft zich minder tegenover de wetenschap moeten opstellen dan een plaats moeten zoeken naast haar: precies op dat gebied waarvoor de wetenschap haar belangstelling verloren had.

Voor het belang van het eenmalige en singuliere heeft de religie immers altijd wél oog gehad. In haar zag de persoon zich opgenomen binnen een groter geheel dat hem wel boven zichzelf uittilde, maar niet verpletterde. Hij kon zich geborgen weten in een verband dat niet alleen logisch en ‘wetenschappelijk’ sloot als een bus, maar ook betekenis had voor zijn persoonlijke leven. En daarin ervoer hij dat hij als individuele persoon zowel het morele recht van bestaan had als de plicht om aan dat bestaan gestalte te geven. Het besef dat de hele wereld geborgen was in Gods hand overbrugde elke contradictie tussen het universele en het eenmalige.

Die geruststellende overkoepeling verdween toen de algemeenheid wetenschappelijk werd en niet langer gedragen werd door een oerprincipe dat zich tegelijk als (goddelijke) persoon liet gelden. Daarmee kwam het individu in een acute legitimiteitscrisis terecht. Het zag zich niet alleen wetenschappelijk gemarginaliseerd, maar voelde vrijwel tegelijkertijd hoe het ook op sociaal en maatschappelijk vlak aan relevantie verloor. In de ogen van een steeds anoniemere samenleving, die graag de vruchten plukte van de moderne rationaliteit, wist het zich gereduceerd tot een ‘nummer’ in een bureaucratische calculus.

Anders dan in de Middeleeuwen heeft de godsdienst dan ook niet langer de taak de wereld samen te brengen in één sluitende visie of gebouw, maar juist om het individu tegen het gewicht van zo’n alomvattend weten te beschermen. Hij kan ten volle erkennen dat aan de einder van de wetenschap misschien een theory of everything wacht. Maar tegelijk onderstreept hij dat het verhaal daarmee voor het mensenbestaan nog niet uit is. Er hoort een tweede verhaal bij, waarbinnen dit alles betekenis kan krijgen voor het onverwisselbare en niet-generaliseerbare individu dat ik ben.

Bij die erkenning zou de cultuur het kunnen laten. Niet voor niets heeft zij de kunst naar voren geschoven als de plaats waar dit besef tot uitdrukking kan worden gebracht. Daar heeft ze de godsdienst niet voor nodig – en als hij er niet geweest was, had hij er niet voor hoeven worden uitgevonden. En dus, zo redeneert het verlichtingsatheïsme, kan hij ook gevoeglijk worden afgeschaft.

Juist daar vervalt het echter in de merkwaardige moderne dwaling die denkt dat de gedachte sterker is dan de werkelijkheid. Als het inzicht maar tot stand gekomen is, volgt de realiteit (het einde van de godsdienst) vanzelf. En als dat niet zo is, kan er alleen maar domheid of (erger nog) kwaadwilligheid in het spel zijn. Van dat laatste is het voortbestaan van de godsdienst een duidelijk voorbeeld, zodra duidelijk is geworden dat voor de functie van de religie inmiddels de kunst en de literatuur kunnen volstaan.

Maar de godsdienst is er en heeft daarin zijn eigen zwaarte en betekenis. Hij hoeft niet te worden uitgevonden, maar biedt zich als van oudsher aan met een repertoire aan beelden, verhalen, gewoonten en rituelen met de verworteling en werkzaamheid waarmee de kunst vooralsnog ternauwernood concurreren kan. De godsdienst is op een heel bijzondere manier geen ‘kunst’, maar echt. Organisatorisch, architectonisch, pedagogisch, ritueel, ethisch etc., is hij bijna alomtegenwoordig. Maar vooral beroept de religieuze ervaring zich op een echtheid die de artistieke maar ten dele kan volgen.

In zijn kunstextase stijgt de luisteraar, kijker of lezer wel boven zichzelf uit, maar hij komt niet aan in een wereld waarin zich een geheel andere dimensie opent. De wijdheid die hij ervaart blijft – hoe ingrijpend ook – een onvermoede eigenschap van het ondermaanse. Maar de gelovige ervaart dat transcendente wel. Althans, hij drukt zich uit in een vocabulaire dat spreekt over een hem overstijgende realiteit die méér is dan alleen een extrapolatie van zijn eigen verlangen. Hij meent zich opgenomen te weten in een werkelijkheid waarvan zijn hele bestaan afhangt en van waaruit hij zijn bestaansrecht aangereikt krijgt. De sleutelwoorden van die ervaring zijn vertrouwen en genade: daarin weten het menselijke en het goddelijke zich letterlijk aan elkaar verplicht. De mens bouwt op zijn God en ziet zich daarin door die laatste persoonlijk welkom geheten in een wereld die vanaf dat ogenblik hun beider wereld is.

Zelf verre van een religieus mens, vermoed ik dat in die overgave de vreugde schuilt die de gelovige tegen de klippen op in zijn geloof doet volharden. Voor hem is de hemel echt, omdat zijn ervaring dat is. Hij weet zich gedragen door zijn geloof, waarin hij zich gered ziet van de algemeenheid die hem dreigt te reduceren tot nummer of abstract geval. Wanneer zijn leven er in de ogen van zijn God toe doet, doet het dat van de weeromstuit ook werkelijk. De tastbaarheid van die genade is meer dan een sigaar uit eigen doos. Ze vraagt om een krachtiger mise-en-scène, waarin de Gever niet kan worden gemist, wil de reële ervaring niet alsnog vervluchtigen in zelfbedrog.

Wanneer een ongelovige probeert in te zien wat de wonderlijke aantrekkings- en overtuigingskracht is van dit verschijnsel waarvan hij de expliciete inhoud (de geloofsovertuigingen) niet deelt, dan kan hij niet anders dan acht slaan op de ervaring die daarin tot uitdrukking komt. En bij nader inzien zal hij moeten onderkennen dat deze in haar structuur en persoonlijke betekenis minder verschilt van ervaringen die ook hij kent dan hij aanvankelijk dacht. De ogenblikken waarop hij zich boven het eigen leven uitgetild weet en een rijkdom ervaart die zijn eigen krachten verre te boven lijken te gaan, kent ook hij.

Dat is het ankerpunt van een beleving die vervolgens religieus kan worden – al dwingt niets haar daartoe. De onloochenbare realiteit van de ervaring neemt daarin de gestalte aan van een reëel bestaand Jenseits, waarmee zij nogmaals haar wetenschap onderstreept geen loutere illusie te zijn. Zij bestaat in al haar volheid, en dus bestaat het goddelijke. Het spilpunt van deze overgang is het woord ‘bestaan’ – waarmee talloze gods- en antigodsbewijzen vervolgens zo vruchteloos aan de haal zijn gegaan. En wie de godsdienstgeschiedenis beziet, moet vaststellen dat dit bestaan van oudsher inderdaad werd opgevat als een verheven versie van de manier waarop wij zelf op aarde rondlopen. Maar al vanaf de Middeleeuwen is die analogie gaandeweg losgelaten.

Als God al iets was, dan zeker geen ding – maar ook geen illusie. Het woord ‘God’ begon gaandeweg datgene aan te duiden wat in de religieuze ervaring werkelijk was, zonder daarmee objectiveerbaar te worden. Het werd een voorstelling die het begrip op weg hielp, maar dat weer deed dichtslaan zodra ze letterlijk genomen werd.

Het is dit godsbegrip dat vandaag de dag onder gelovigen veel gangbaarder is dan het militant atheïsme gemakshalve veronderstelt. Ook dit godsbegrip is zo ‘door de Verlichting heengegaan’ – en is daaraan niet bezweken.

Dit is een ingekorte bewerking van het openingsartikel van het zojuist verschenen themanummer ‘Hemel en aarde’ van De Gids.