Fopspenen Crombag en Pfeijffer eindelijk afgepakt

De twee rokende heren Ilja Leonard Pfeijffer en Hans Crombag betogen op respectievelijk de achterpagina van 6 juni en in M van 7 juni dat het rookverbod in de horeca een aantasting is van de individuele vrijheid (Crombag) en zelfs het einde van een rijke Nederlandse traditie (Pfeijffer).

In hun verongelijkt getoonzette artikelen zijn echter geen argumenten te vinden die niet al tot vervelens toe aan de doorrookte borreltafel zijn opgedist. Uitgekauwde redenaties als alcohol is ook slecht, kleine cafés gaan failliet en de overheid betuttelt, geven geen blijk van een vindingrijke redeneerkunst (de latijnse namen voor de drogredenen kunt u zelf opzoeken).

Zijn emeritaat ten spijt slaat Crombag de plank volledig mis wanneer hij de politiek filosoof J.S. Mill aanhaalt. Mill stelt glashelder dat een overheid individuele vrijheid mag beperken om schade aan anderen te voorkomen. Crombag stelt hier alleen een ontkenning van het gevaar van meeroken tegenover. ‘Roken is dodelijk’ is volgens hem „in zijn overdrijving een leugen”. Overdrijving? Weet de rechtspsycholoog het ineens beter dan de medici? Niet alleen overlijdt één op de twee rokers vroegtijdig door roken, maar ook sterven jaarlijks 200 Nederlanders door meeroken. Lees er de rapporten van het KWF maar op na.

Pfeijffer komt in zijn betoog niet verder dan de Interessante Dichter uithangen: het ‘heilig ritueel’ van het roken is een ‘voorrecht der dichters’.

Crombag en Pfeijffer gedragen zich als grote kleuters wier fopspeen nu eindelijk is afgepakt.

Pieter Boddaert

Leiden