De vlaktaks is een cadeau voor de rijken

Komende vrijdag stelt de Sociaal-Economische Raad een advies vast over gevolgen van de globalisering voor onze economie. Het ontwerpadvies pleit onder andere voor lagere belastingtarieven. Een gunstiger fiscaal klimaat zou nieuwe bedrijvigheid naar ons land zuigen en maakt het aantrekkelijker om hier te ondernemen en in loondienst te werken. De SER noemt invoering van de ‘vlaktaks’ als mogelijkheid om het belastingklimaat milder te maken. Het huidige tarief van de inkomensheffing is progressief. Hoe hoger het inkomen, hoe groter het deel daarvan dat belastingbetalers aan de fiscus dienen af te dragen. Het alternatief voor zo’n progressieve heffing is de vlaktaks: een jaarlijkse belasting over het persoonlijke inkomen met minder aftrekposten en één vast, laag tarief. Hierbij eigent de fiscus zich van elke verdiende euro dus hetzelfde aantal eurocenten toe, ongeacht de hoogte van het inkomen.

In het afgelopen decennium stapten tien landen in Oost-Europa over op een variant van zo’n vlaktaks. Is dit een voorbeeld dat westerse industrielanden, Nederland voorop, moeten volgen? Nee, dat is niet nodig. De introductie van simpele vlaktaksen in de voormalige communistische landen is vooral verklaarbaar uit administratieve overwegingen. De kwaliteit van veel boekhoudingen daarginds laat het nodige te wensen over, fraude komt veel voor en nationale belastingdiensten kampen met achterstanden en een gebrek aan deskundig personeel. In het Westen spelen deze argumenten geen rol. Daar zijn progressieve tarieven voor nationale belastingdiensten goed uitvoerbaar.

Voorstanders stellen dat het lagere tarief van de vlaktaks mensen zal prikkelen om meer arbeid aan te bieden. Maar lang niet bij elke variant krijgt iedereen met een lager tarief te maken. Bij een vlaktaks die net zoveel inkomensherverdeling realiseert als de huidige progressieve inkomensheffing moet de heffingskorting flink omhoog. Dan is een tarief van 43,5 procent nodig om te voorkomen dat een gat in de schatkist ontstaat. In dit geval zien tweede verdieners en alleenstaanden die nu te maken hebben met het tarief van de eerste schijf van 33,6 procent hun marginale belastingdruk dus met 10 procentpunt stijgen! Hun arbeidsaanbod is veel gevoeliger voor die tariefstijging dan dat van kostwinners uit de vierde schijf, die over de top van hun inkomen 52 procent betalen. Daarom nemen bij deze verdelingsneutrale variant van de vlaktaks de verstoringen op de arbeidsmarkt per saldo niet af, maar juist toe: het arbeidsaanbod loopt terug en de werkgelegenheid daalt.

Ook de beweerde gunstige invloed op de economische groei is onzeker. In de gouden jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw groeide de Nederlandse economie als kool. Toch stond het toptarief van de inkomstenbelasting hier en in de VS destijds op 70 procent, terwijl bedrijven werden geconfronteerd met een winstbelasting van 48 procent. De tarieven zijn nu een stuk lager. De winstbelasting is nog maar 25,5 procent. Toch prijzen we ons tegenwoordig al gelukkig als de nationale economie met 2 procent per jaar toeneemt. Medewerkers van het Internationaal Monetair Fonds deden onderzoek naar ervaringen in landen die recentelijk op de vlaktaks zijn overgestapt. Zij concluderen dat voor de beweerde groeivoordelen van een belasting met één tarief vooralsnog geen overtuigend bewijs is geleverd.

Blijft het bedrag van de heffingskorting onveranderd, dan duiden exercities van het ministerie van Financiën op een vlaktakstarief van 37 procent, wil de operatie de schatkist onverlet laten. Daarbij neemt de inkomensongelijkheid fors toe. Alleen door tegelijkertijd de heffingsgrondslag aanzienlijk te verbreden – met name door aftrekposten zoals die voor hypotheekrente en ziektekosten grotendeels te schrappen – kan de operatie ook bij een tarief van zeg 32 procent budgettair neutraal verlopen. Schoffelen in aftrekposten stuit echter op groot verzet van belanghebbenden. Wie goede sier willen maken met een laag en simpel tarief, moeten er eerlijk bij vertellen wat dat kost en hoe de miljardengaten die hierdoor in de schatkist ontstaan zullen worden gedekt. De SER schuift deze hete aardappel door naar het bordje van een in te stellen ‘commissie van wijzen’.

Al claimen vooral hogere-inkomensgroepen aftrekposten, de huidige drukverdeling van de inkomensheffing is nog altijd duidelijk progressief. De extreme inkomens van een kleine groep bovenbazen roepen in de samenleving toenemend verzet op. Deze grootverdieners zouden van de vlaktaks het meest profiteren. Wat zij winnen, moet door de overige belastingbetalers, met lagere inkomens, worden opgebracht. Na invoering van de vlaktaks is het voor de overheid onmogelijk om excessieve inkomens en vermogens nog langer langs fiscale weg aan te pakken.

Een paar jaar geleden concludeerden Jan Pen en ik in het vakblad Economisch Statistische Berichten dat de vlaktaks een prachtig bedenksel voor rechtse mensen is. Zonder twijfel maakt zij bepaalde vereenvoudigingen mogelijk. Deze worden door de voorstanders echter schromelijk overdreven. Tegelijk is de vlaktaks een formidabel cadeau aan de rijken. Wie dat een goed idee vindt, moet het luid en duidelijk zeggen. Voorstanders van de vlaktaks kiezen voor grotere doelmatigheid (al is dit niet zeker, de schade door het progressieve tarief wordt vaak overdreven) en minder gelijkheid (dit laatste staat vast). Dit kan de SER toch niet willen?