De goden spreken

Lijphart, Dahl, Huntington, Barrington Moore. Iedere student politicologie kent hun namen. Maar van hun leven weten we weinig. Een bundel met interviews verandert dat. André Gerrits

Arend Lijphart Rikken, Freddy

Vrijwel alle studenten geschiedenis, politieke wetenschappen of sociologie hebben ooit een boek gelezen van Robert Dahl (Yale), Samuel Huntington (Harvard), Arend Lijphart (University of California) of Barrington Moore, jr. (Harvard). Maar vrijwel geen enkele student zal iets weten van de onderzoekers zelf.

Op zich is daar niets mis mee. In de regel zijn wetenschappers aanzienlijk minder interessant dan het onderzoek dat ze bedrijven. De samenstellers van Passion, Craft, and Method in Comparative Politics - een bundel interviews met vijftien vooraanstaande politicologen - zijn de omgekeerde mening toegedaan: juist de persoonlijke achtergrond van onderzoekers, hun intellectuele scholing en academische carrières zijn van betekenis geweest voor hun wetenschappelijk werk. En omdat het hier om invloedrijke politicologen gaat, strekt die invloed zich ook uit tot de ontwikkeling van hun vak zelf.

hoge leeftijd

De politicologen die in het boek aan het woord komen zijn, op één uitzondering na (Theda Skocpol, Harvard), mannen. Ze zijn geboren in de eerste helft van de vorige eeuw. Sommigen zijn van hoge leeftijd - een enkeling is intussen overleden. De meesten zijn nog actief en zonder uitzondering zijn ze verbonden aan vooraanstaande universiteiten in de Verenigde Staten.

De geïnterviewde geleerden zijn kritisch over de stand van de politieke wetenschappen, over de universitaire onderzoekscultuur in het algemeen. Ze waarderen de academische kwaliteiten van hun leerlingen en studenten, maar ze missen de echte inspiratie, de brandende nieuwsgierigheid.

Ze signaleren dat jonge onderzoekers al vroeg in een academisch stramien worden gedwongen. Er is steeds minder ruimte voor eigen initiatief, voor intellectuele verbeeldingskracht en voor ervaring buiten de universiteit. Na een goede middelbare school volgt dikwijls een goede universiteit. De student studeert af in een vakgebied, vaak zelfs op een onderwerp waarnaar hij vervolgens promotieonderzoek doet. In veel gevallen maakt dit onderzoek deel uit van een groter project, dat is opgezet en aangevraagd door zijn promotor.

Dit is geen typisch Amerikaans carrièrepatroon. We zien eenzelfde ontwikkeling aan Nederlandse universiteiten. ‘Slow down!’ is, geheel tegen de tijdgeest in, het advies van deze vooraanstaande onderzoekers.

De vergelijkende politieke wetenschap beoefent de kunst van de generalisatie. Ze vindt haar oorsprong in de politieke geschiedenis en ze kan in haar huidige vorm worden gezien als een wetenschappelijke poging het versnipperde en dikwijls beschrijvende karakter van de deel-studies te ontstijgen.

Wat heeft dat opgeleverd? De antwoorden variëren nogal. Met name op hun eigen gebied, dat van het democratieonderzoek, kijken de geïnterviewden met tevredenheid terug. Er is veel meer inzicht dan enkele decennia terug in democratische transities, in de voor- en nadelen van verschillende typen democratieën en in de relatie tussen democratie en ontwikkeling.

Over de lacunes in onze kennis van politieke ontwikkelingen zijn de geïnterviewden het in grote lijnen ook eens. Het gaat vooral om moeilijk te kwantificeren verschijnselen als de betekenis van politiek leiderschap, de ontwikkeling van politieke waarden, om politieke cultuur, om toeval en geluk. En er is uitgesproken scepsis, vooral over de specialisatiedrift van veel politicologen en over het streven door theorievorming en strenge methodologie het wetenschappelijke gehalte van de politicologie te verhogen.

“Ik ben bang”, zegt Philippe Schmitter (European University Institute), “dat de politieke wetenschap, in haar neiging tot methodologische verfijning, de overmoed is kwijtgeraakt om ambitieuze boeken over grote kwesties te schrijven.”

aanvechting

Zonder theoretische kadering is aan de enorme hoeveelheid informatie die de vergelijkende politicoloog ter beschikking staat, geen zinvolle betekenis meer te geven, maar vrijwel alle geïnterviewden bekritiseren de groeiende neiging om methoden en theorieën te bestuderen omwille van de methoden en theorieën. Deze aanvechting levert niet veel nieuwe inzichten op en maakt het steeds moeilijker te communiceren met andere wetenschappers, concludeert Arend Lijphart.

In lijn met hun kritiek op de dominante universitaire onderzoekscultuur en de voortdurende neiging tot specialisatie en theorievorming, zijn de politicologen in Passion, Craft, and Method niet bijzonder optimistisch over de maatschappelijke betekenis van de Vergelijkende Politieke Wetenschappen. Ze breken een lans voor buiten-universitaire ervaring en normatief onderzoek. ‘Wat ik schrijf heeft alleen betekenis in de mate waarin het invloed heeft op het welzijn van mensen’, zegt Robert Dahl. Zijn On Democracy (1998) is in 28 talen vertaald. Dahl stelt met spijt vast dat onderzoekers steeds minder geneigd zijn hun empirisch onderzoek te koppelen aan normatieve theorie: ‘Een relevante onderzoeksvraag formuleren is een morele en normatieve, geen wetenschappelijke kwestie.’

Dahl, Juan Linz (Yale), Huntington en Lijphart hebben allen korte of langere tijd buiten de academische wereld gewerkt. Barrington Moore jr. (in 2005 overleden) begon zijn carrière bij de OSS (Office of Strategic Services) , de voorloper van de CIA. ‘In veel opzichten was Social origins of dictatorship and democracy [Moore’s bekendste werk, red.] gebaseerd op mijn ervaring bij de OSS’, vertelt hij.

“Ik zie geen spanning tussen normatieve overwegingen en het bedrijven van wetenschap”, zegt Lijphart. Zijn pleidooi voor politieke machtsdeling, geïnspireerd op de Nederlandse verzuiling, heeft grote invloed gehad op vredesopbouw na conflicten, zowel in zuidelijk Afrika als op de Balkan. “Het verbaast mij dat veel sociale wetenschappers zo terughoudend zijn om aanbevelingen te geven. De opvatting zal wel zijn dat ze wetenschappers zijn en zich dus niet in de politiek moeten mengen. Dat is niet mijn houding.”

Samuel Huntington behoort tot het uitstervende soort geleerden dat over de grenzen van zijn eigen vakgebied heen kijkt. Onder invloed van ingrijpende gebeurtenissen als het einde van de Koude Oorlog, het uiteenvallen van Joegoslavië en de aanslagen van 11 september, hebben zijn boeken paradigmatische betekenis gekregen: The third wave (1991), over de mondiale verbreiding van de politieke democratie, en The clash of civilizations (1996), over de betekenis van culturele scheidslijnen in kwesties van oorlog en vrede. Huntington is één van de meest prominente en controversiële politicologen van deze tijd. Het is tekenend voor de kloof tussen politieke werkelijkheid en politieke wetenschap dat van alle politicologen in Passion, Craft, and Method, Huntington waarschijnlijk de meeste invloed geniet buiten zijn vakgebied, maar het minst serieus wordt genomen door vakgenoten.

Gerardo L. Munck en Richard Snyder: ‘Passion, Craft, and Method in Comparative Politics’. Baltimore: The John Hopkins University Press, 2007. xii + 773 blz., isbn 9 780801 884641, € 40,80

    • André Gerrits