‘De Chinezen zijn meer gewend om af te zien’

Susan Brownell won als enige westerse atlete ooit in China een medaille bij de Nationele Spelen. Inmiddels heeft ze twee boeken over het land geschreven.

Een jongetje loopt op 26 april mee in een optocht in Peking om te vieren dat het nog honderd dagen is tot de opening van de Spelen op 8 augustus. Foto AFP to go with OLY-2008-CHN-100DAYS by Charles Whelan A child holds an Olympic torch as a group of participants wear sunglasses for a walkathon on April 26, 2008 in Beijing to celebrate in advance 100 days to go before the start of the 08-24 August Olympics. With 100 days to go, Beijing's ability to stage a great Olympics is facing renewed challenges in the aftermath of the torch relay fiasco, which has done more than trigger protests by rights groups across the world by sparking a nationalist backlash in China directed at some foreign countries and western media, some who have received death threats. China's leaders have had seven years to prepare and view the Olympics as a platform to show off the country's "peaceful rise' onto the world stage as a responsible big power. AFP PHOTO/Frederic J. Brown AFP

Bettine Vriesekoop

Antropoloog Susan Brownell (47) is de enige wetenschapper die én vloeiend Chinees spreekt én in de jaren tachtig als enige buitenlandse atlete ooit deel uitmaakte van het atletiekteam van Peking. In 1996 schreef de Amerikaanse professor een boek over sport in China: Training the body for China. Dit jaar verscheen haar boek What the Olympics mean to China. Ook vertaalde ze de biografie van China’s enige IOC-lid He Zhenliang. Op dit moment doet Brownell in Peking onderzoek naar de maatschappelijk rol van het onderwijs over de olympische gedachte op Chinese scholen.

Brownell ziet dat er nog veel mis is in China maar denkt dat het land een goede olympische gastheer zal zijn, zelfs na alle ellende rondom Tibet en de aardbeving. „De Spelen kunnen een verandering teweeg brengen in de houding van China ten opzichte van de Tibetanen en andere minderheden. Ook de transparante manier waarop China berichtte over de aardbeving is veelzeggend.”

Brownells fascinatie voor China komt voort uit haar eigen sportcarrière als vijfkampster en haar studie antropologie. Ze deed mee aan de olympische trials in Amerika voor de Spelen van 1980 en 1984 maar kwam niet door de kwalificaties.

In 1985 ging ze naar China en kwam een jaar later als enige westerse atlete ooit tijdens de Nationale Spelen uit voor het universiteitsteam van Peking. Ze won goud op de vijfkamp. Haar succes leverde haar de bijnaam ‘Het Amerikaanse meisje dat goud won voor Peking’ op. „Chinezen zijn meer gewend dan wij westerlingen af te zien en hun leven in dienst te stellen van de prestatie. Ik heb ook geleerd dat ze nauwelijks van ons verschillen. Trainers zijn keihard maar ze tonen net zo goed mededogen. Atleten zijn net als wij verdrietig, boos, hebben heimwee en zijn blij als ze winnen.”

Brownell verzet zich dan ook tegen de westerlingen die commentaar hebben op de manier waarop China kinderen klaarstoomt voor prestaties. „In Amerika was ik betrokken bij een kunstschaatsclub. Wat ik daar zag was ook niet zachtzinnig. Kinderen die meer dan zes uur per dag trainen, en ouders en trainers die de talentjes onder druk zetten. In dat perspectief zijn de berichten in de westerse media over Chinese sportscholen waar sporters aan de lopende band worden gemarteld, belachelijk.”

Direct na de Nationale Spelen besefte Brownell dat ze als atlete geen toekomst had. Ze ging terug naar de VS, werkte daar als antropoloog en dwong zichzelf gedurende een aantal jaren elke dag tenminste een uur Chinese karakters te lezen en op te zoeken. In 1987 ging ze terug naar China, ditmaal om Chinees te studeren.

Over haar trainingsperiode in China schreef ze het boek: Training the body for China. Naast eigen ervaringen beschrijft ze het Chinese sportsysteem en analyseert ze Chinese vrijetijdsbestedingen als discodansen, massasport, vechtsporten en militaire sportdiscipline.

In What the Games mean to China laat Brownell zien dat sport in China altijd een belangrijke rol in diplomatieke betrekkingen met het buitenland heeft gespeeld. „De overheid gebruikt sport graag om nieuwe manieren van denken en nieuwe strategieën uit te proberen in de relatie met andere landen. Klein beginnen, zien wat er gebeurt en dan verder uitwerken. Kijk maar naar de Speciale Economische zones. In die gebieden zijn proeftuintjes gelanceerd voor economische hervormingen waarna de hervormingen later zijn doorgevoerd in grotere gebieden. Die rol heeft sport ook in de relatie met andere landen.”

Brownell noemt als voorbeeld de ‘pingpongdiplomatie’ tussen Amerika en China in 1972. Ook in de relatie met Taiwan heeft sport een belangrijke rol gespeeld. Het gesteggel binnen het IOC of Taiwan of de Volksrepubliek China aan de Spelen kon deelnemen, was volgens de antropoloog een discussie die verder ging dan sport. In de jaren zestig gebruikte Mao om het volk te verenigen de slogan ‘Sport sterkt het fysiek van de natie’. In de jaren zeventig moest de slogan ‘Friendship First’ bruggen slaan tussen buitenlandse en Chinese sportploegen en in 1984 nam China voor het eerst deel aan de Olympische Spelen onder de slogan ‘Kijk verder dan Azië, Zoek contact met het westen’. De leuze ‘One World, One Dream’ weerspiegelt in 2008 China’s vreedzame ambities als wereldmacht.

Volgens Brownell heeft de sport niet voor niets bij sommige Chinese leiders model gestaan voor het functioneren van de samenleving: transparant met de nadruk op efficiëntie, fair play en prestaties. „De Chinese leiders willen af van guanxi en zou houmen ( binnenkomen via de achterdeur door smeergeld, vriendjespolitiek en relaties). De sport moet model staan voor een eerlijke en oprechte samenleving zonder corruptie. De missionarissen en bestuurders van de YMCA die eind negentiende eeuw de westerse sporten naar China brachten, hoopten de Chinese bevolking op die manier de regels van de democratie en fair play te leren. Maar ze liepen aan tegen de andere manieren van denken van Chinezen.”

Brownell doelt op het feit dat het verkondigen van leugens in de Chinese maatschappij minder erg wordt gevonden dan het lijden van gezichtsverlies. Bij bedriegen ligt de schuldvraag bovendien bij de bedrogene in plaats van bij de bedrieger. Brownell: „Zelfs vandaag denk ik niet dat Chinezen dezelfde betekenis aan sportiviteit toekennen. Wij in het westen zijn opgevoed met de tien geboden en morele waarden. Christelijke waarden ontbreken in China. Daarom heeft fair play in de sport voor China een enorm belangrijke functie.”

Brownell bivakkeert net als 25 jaar geleden op een klein kamertje op de sportuniversiteit van Peking. In opdracht van de Fulbright universiteit doet ze onderzoek naar de maatschappelijke rol van het olympisch onderwijs op scholen. Ze kijkt naar de buurtactiviteiten en vooral hoe de leraren het olympische gedachtegoed overbrengen. Ook de invloed van de media houdt ze tegen het licht.

„Als je het enthousiasme ziet, het idealisme en het geloof in een betere toekomst en als je dan kijkt naar wat het buitenland ziet – de opgeblazen trots van het regime, luchtvervuiling, kindatleten, dan is er een grote scheiding der geesten”, zegt Brownell. „Chinezen zijn enorm trots op het feit dat ze mogen werken aan een olympisch project, dat ze dus voor het eerst aan iets mogen deelnemen dat niets te maken heeft met de communistische propagandaleer zoals de acht principes van trots en de acht principes van schaamte die zijn geïntroduceerd door Hu Jintao. Het olympisch project heeft een veel minder propagandistisch karakter dan andere campagnes.”

In het project leren kinderen over de olympische gedachte, het olympisch handvest en de structuur van de olympische beweging. Ook principes als fair play en anti-discriminatie komen aan de orde. „In zekere zin voedt het de Chinezen op tot wereldburgers. De olympische grondbeginselen zijn een kanaal om de buitenwereld beter te leren kennen.”

Volgens de antropoloog is er veel onbegrip over China dor de taalbarrière. „Kennis van de taal is nodig om China echt te begrijpen. Ik kom zelden mensen tegen die beter Chinees spreken dan ik en dat is vreemd want mijn Chinees is lang niet goed genoeg. Dat vind ik zorgwekkend. Het is niet alleen een manier van denken maar ook een manier van communiceren.”

Zo leerde Brownell veel over de Chinese denkwijze tijdens de vertaling van de biografie van IOC-lid He Zhenliang. „Ik schreef dat China boos was dat de gevechtssport Wushu niet werd toegevoegd aan het Chinese programma. De Chinezen zeiden dat boos niet het woord was. Ze wilden dat ik het veranderde in teleurgesteld. Op zo’n moment realiseer ik me weer dat wij in het westen wel erg direct communiceren en dat we een kritische traditie hebben opgebouwd. Wat bij ons persvrijheid is, noemen Chinezen negativisme en niet gebalanceerd. Ook voor mij is China elke dag weer gecompliceerder en verrassender dan ik dacht. Het mooie van mijn werk is dat ik culturele bruggen kan slaan.”