Ziek? Collega’s? Bang?

Dat de ontmoeting met een medium en helderziende in de trein vooral de kat van Rascha Peper enthousiast maakt, had de schrijfster niet kunnen bevroeden.

In de intercity naar Den Bosch is het om 11 uur ’s ochtends zo stil dat ik me comfortabel aan een raamkant kan installeren met tas, krant en boek naast me. Dat wordt een uur heerlijk lezen. Ik leg huiselijk een enkel over een knie, vouw de verse Volkskrant uit en verzink in de lectuur.

Amper is de trein echter het Amstelstation uit of er komt een ebbenhoutzwarte man in een net, donkerblauw pak door het gangpad gelopen, die met een verheugd gezicht blijft staan, alsof hij in mij een dierbare oude kennis heeft hervonden. Ik reageer op z’n Nederlands en kijk koel naar de lege banken om ons heen. Privacy is heilig in dit stampvolle land. Maar hij laat zich niet van de wijs brengen en vraagt met fluwelen stem: „May I sit here, miss? For a moment?”

„Sure”, zeg ik lijdzaam en ik ga recht zitten en stapel mijn spullen op schoot. Bot reageren op een buitenlander die iets over zijn treinreis wil vragen en meent dat het passender is daarbij te gaan zitten, is al te kras.

Hij neemt naast mij plaats, legt een zwart, plastic diplomatenkoffertje op zijn knieën, hult me in een wolk aftershave vermengd met exotische kruiden en kijkt me vergenoegd aan. Zijn ogen zijn ook van fluweel.

„Jij lieve dame”, zegt hij.

O god, die verdomde beleefdheid van mij ook! Krijg hem nu maar weer eens weg!

„In Holland veel koeie mensen. Jij naar Oetrekt?”

„Naar Den Bosch”, zeg ik streng.

Ah, Den Bosch, daar moet hij ook vaak naartoe. Mooie stad. Ook hele ‘koeie’ mensen.

En Groningen, ken ik Groningen?

Daar is hij gisteren geweest. Waar kom ik vandaan? Amsterdam? Amsterdam is the best. Samen met Den Haag, waar hij woont. Weet ik wel wat voor prettige mensen er in Den Haag wonen?

Ik glimlach vaag en richt mijn blik op een artikel in de ineengefrommelde krant. Maar hij gaat door, nu op enigszins bezorgde toon.

„Mensen in Holland ook problemen. Veel problemen.”

Dat beaam ik. Je kunt moeilijk zeggen: dat valt wel mee.

„Maar...”, zegt hij met een brede lach, „daarom ben ik daar. Mensen met problemen komen bij mij.”

En voor ik het weet, heeft hij een visitekaartje uit zijn zak gehaald en het me in de hand gedrukt. ‘Mr. Hiawara’ lees ik. „Beroemd Helderziende en Medium. BETALING NA RESULTAAT. Ik help alle problemen oplossen. Relatie, zaken, handel, carrière, geluk, bescherming, examen, klanten, ziekte, impotentie. Terugkeer van uw geliefde binnen 48 uur. Elk gevaar, onttovering enz. Succes binnen drie dagen.”

Verder een 070-nummer en een 06-nummer.

„Dus u bent mr. Hiawara”, zeg ik intelligent. Een naam die het midden houdt tussen Niagara en de kleine Hiawatha. Hij knikt stralend.

Ik staar naar het kaartje. Je geliefde binnen 48 uur terug, maar andere moeilijkheden zijn dus tijdrovender.

Ook de onttovering houdt me bezig. Is dat nu het probleem of de oplossing? Zijn wij met zijn allen onttoverd in onze kennismaatschappij en brengt mr. Hiawara de magie in het leven terug?

Of willen we juist van een betovering af? Dit lijkt me een interessante vraag, maar ik weet niet in welke grammaticale krochten ik me met mijn buurman moet begeven om de vraag te stellen.

Bovendien wijst mr. Hiawara’s gebeeldhouwde hand met babyroze wijsvingernagel naar de regel die in hoofdletters gedrukt is.

„No cure no pay”, zegt hij. Dat is taal die Hollanders begrijpen. „Jij problemen? Liefde, werk, ongeloek?”

„Nee”, zeg ik.

Mr. Hiawara kijkt me diep in de ogen.

„Ziek, kinderen niet goed? Hoewelik? Collega’s? Bang?”

Het vrouwelijk ongenoegen in een notendop. Om eraf te zijn wijs ik toch maar naar het woord onttovering en wil een vraag formuleren, maar hij begint druk nee te schudden.

„Niet Hollands mensen”, zegt hij. „Ook niet mij. Uncle. My uncle. He’s for the evil ghosts. Not me, he.” En hij begint bewegingen te maken, alsof hij de treincoupé wil schoonvegen.

„Sshhh.... sshhh.... sshhh”, zegt hij.

Ik begrijp dat ik me daarbij de oom moet voorstellen die kwade geesten uitdrijft. „Maar jij noe geen probleem, probleem kan komen. Dan: deze noemmer bellen. No cure no pay.”

Ik knik gedwee. Mr. Hiawara opent zijn koffertje en haalt er een papieren builtje uit. Kruiden ‘for happiness’. Die krijg ik cadeau. Omdat ik een lieve dame ben zeker.

Dan heeft hij plotseling haast; aan mij is toch te weinig eer te behalen. Hij staat op en loopt door. Een paar plaatsen verder hoor ik hem vragen: „Please, may I sit here?”

Ik ruik aan het zakje kruiden. Muf zoetig. Dan vouw ik opgelucht de krant weer uit.

Bij het uitstappen zie ik hem in de volgende coupé tegenover een druk op hem inpratende vrouw met hennahaar zitten. Zou dat carrière of een weggelopen geliefde zijn?

Als ik ’s avonds thuis mijn tas leegmaak, gooi ik kaartje plus kruidenzakje op mijn bureau. Een van de katten springt op het bureau en begint er langdurig aan te snuffelen.

Daarna zet ze het op een rennen en sprint als een dolle het huis door. Dat doet ze wel vaker, uit blijdschap dat ik weer thuis ben. Maar zo enthousiast heb ik het nog nooit meegemaakt.

Dit is... ja, waarachtig, als dit geen puur geluk is!