Wie wil eten, stapt een film binnen

Bokken hebben vissestaarten, planten leggen eieren en theepaviljoenen draaien mee met de zon. Toch is men niet gelukkig op Hedda Martens’ toverlocatie.

‘At Sea, 10, 1995’, een foto van Nancy Goldring Uit ‘Fine Art Photography’, Graphis Inc. Goldring, Nancy

Hedda Martens: De postbode. Querido, 176 blz. € 18,95

Gemiddeld een keer per dag, als ik iemand opbel, moet ik even denken aan Hedda Martens. Aan een passage uit een verhaal in Een naald op het water (1992). Zij maakte mij er op attent dat op de druktoetstelefoon een melodietje te beluisteren valt als je een bepaald nummer ‘draait’. Van veelgebruikte nummers onthoud je daardoor eerder het wijsje dan de cijfercombinatie zelf. ‘Soms ken ik ze allemaal uit mijn hoofd’, schrijft Martens, ‘een prachtig vermogen waarmee, de hoorn aan het oor, rapsodieën van vriendschap zijn te componeren.’ Een alledaagse observatie, zou je zeggen, die iedereen wel had kunnen doen, maar dan toch in net iets minder mooie bewoordingen.

Die geconcentreerde aandacht voor gewone taferelen en menselijke gedragingen is ook terug te vinden in Iemandsland (2005), een verzameling portretten van vijftig naamloze mannen. En nu, drie jaar later, is er De postbode, haar eerste roman. Wie zou denken dat het hier opnieuw gaat om uiterst verfijnde observaties over luciferdoosjes, soepkommen, theepotten en telefoonwijsjes, zal verrast opkijken. Huiselijke details zijn geofferd aan een brede verhaallijn, alledaagse verschijnselen aan een tijdloze intrige, eenduidige gebeurtenissen aan een bijzonder dynamische gang van zaken.

Martens vertelt in De postbode, in zoals altijd heldere en montere bewoordingen, een merkwaardig verhaal over een niet nader genoemde toverstad in een eveneens naamloze landstreek. Alles is er voortdurend in beweging en aan verandering onderhevig. De bewoners van de stad, fraai gelegen op een berg, zijn van alle gemakken voorzien en ook in de omgeving is het prettig toeven: aangenaam klimaat, afwisselend landschap, watervallen, meren, een rijke flora en fauna.

Opmerkelijk is dat de natuurwetten niet van toepassing zijn in de wereld van Martens. Alles is er flexibel: straten, huizen en landschappen veranderen moeiteloos van positie, vorm en kleur. Bokken zijn uitgerust met vissenstaarten, planten leggen eieren, aan bomen groeien mosselen. Theepaviljoenen draaien mee met het licht.

De mensen hoeven niet te koken, omdat ze in een van de films kunnen stappen die vertoond worden in de bioscoop en dan met de acteurs een vorkje mee kunnen prikken. Schoolkinderen maken zich lesstof eigen door tijdelijk te veranderen in een naamval, een Egyptische koning of een breuk.

Een bijkomende bijzonderheid van deze toverlocatie is dat de mensen er niet zomaar binnen kunnen komen en er ook niet uit weg kunnen. Dat is ook meteen de adder onder het gras: de heimweefactor. De bewoners koesteren diep in hun hart een verlangen naar ‘daarginds’ en ‘elders’ waar ze niet meer naar terug kunnen. Proberen ze het toch, dan raken ze verstrikt in rondcirkelende wegen en worden ze langzaam maar zeker uitgewist. ‘Als ze niet tijdig rechtsomkeert maakten verloren ze ten slotte alle contouren, strak getrokken tot een anoniem lijnstuk.’

Wat is dit voor soort boek? Hoe moet je het genre omschrijven? Sciencefiction is het niet. Geen fantasy. Geen magisch realisme. Ook geen psychedelische roman. Je kan het nog het best een literair sprookje noemen, met veel verwijzingen naar films, filosofische traktaten, strips, thrillers, poëzie, toneel, mythologie, avonturenromans – en de Bijbel. Een sprinkhanenplaag is hier een termietenplaag. Het voorgeborchte heet hier ‘het nevelveld’. De zondvloed is hier geen natte bedoening, maar juist een kwestie van uitdroging. En Noach, de boodschapper van God, vermomt zich hier als postbode. Hij brengt, op de fiets, de hele dag door in razende vaart brieven en pakjes rond, om nog te redden wat er te redden valt. In zijn vrije tijd werkt hij aan een grote boot, die een selectieve groep van mensen en dieren naar veiliger oorden zal voeren, nadat stad en streek aan weelde en overvloed ten onder zijn gegaan.

Moraal van dit sprookjesverhaal: een paradijs is alleen leefbaar als je weet dat het eindig is, of dat je er desgewenst uit weg kan. Een paradijs is alleen paradijselijk als er ook verdoemenis dreigt, in de vorm van een hel, onderwereld of dood. Geluk gedijt alleen bij ongeluk.

Met kennelijk plezier doet Martens haar opzienbarende verhaal uit de doeken, waarin ze, heel gewiekst, ook een aantal gewone mensen laat figureren, met gewone namen, gedachten en overwegingen. Mensen met ouderwetse verlangens naar liefde en geborgenheid, aan wie wij ons hart kunnen verpanden. Wij zien ze rondscharrelen in een vreemd universum, waar hele landschappen op de schop gaan, de dieren elkaars vormen aannemen en klanken, geuren en beelden door elkaar worden geklutst tot een wild ensemble.

Op een mensenleven meer of minder wordt hier niet gekeken. Ze vervallen aan het eind tot contourloze schimmen, tot hulpeloze reepjes papier. Zo becommentarieert Martens, zonder dat met zoveel woorden te zeggen, ook haar eigen schepping, die uit de aard der zaak gekluisterd blijft aan het platte vlak. Maar ze weet haar eigenzinnige schepping- en ondergangsverhaal wel zo aantrekkelijk te brengen dat wij ons toch graag laten meevoeren door haar meerdimensionale suggesties – in ieder geval voor de duur van deze roman.