Triviale meteorologie in het theater

In het Holland Festival deze week twee theatervoorstellingen gezien waarin de meteorologie een grote rol speelt. In Molière (Schaubühne am Lehniner Platz, regie Luc Perceval) sneeuwt het onophoudelijk. In WeerSlechtWeer (Toneelhuis / De Filmfabriek, regie Peter Missotten) regent het meestentijds.

In beide gevallen blijft onduidelijk, waar dit ‘extreme weer’ eigenlijk dwingend uit de tekst, of de regieopvatting voortkomt. Molière, een montage van teksten en motieven uit maar liefst vier stukken van de gelijknamige klassieke Franse toneelschrijver, is weliswaar een voorstelling met een ijzige strekking – lust en liefde worden er niet leuker op, naarmate je ouder wordt. Maar sneeuw?

In WeerSlechtWeer, gebaseerd op Het barre land van T.S. Eliot is – als ik goed heb opgelet – in de tekst inderdaad sprake van water en verdrinken. Dus daar schuilt er nog enige rede in de beslissing om de hele voorstelling te laten spelen door twee auteurs die met enige regelmaat dreigen te verdrinken, of te worden geëlektrocuteerd als ze hun microfoon in het water laten vallen.

Persoonlijk vermoed ik echter, dat de preoccupatie met de weersomstandigheden in beide voorstellingen de weerslag is van de toenemende aandacht voor meteorologie in het algemeen. Kranten, radio en tv lijken met het jaar meer aandacht te besteden aan de weersverwachting – nog niet zo lang geleden een klein hoekje om te weten of je morgen je jas mee van huis moet nemen.

Mooie plaatjes van elke overstromingsramp – van Bangladesh tot Beieren – vinden een prominente plaats. Idem de tyfoons in Oklahoma, blikseminslag in Apeldoorn en sneeuwoverlast in Tokio. Uitvloeisel van zenuwachtigheid over klimaatverandering? Mogelijk.

Maar ik houd het er op dat er een verband is met de toegenomen belangstelling voor trivia, zoals die ook blijkt uit de explosie van krantenartikelen en televisieprogramma's over koken van de laatste jaren. Zo beschouwd is het merkwaardig dat er in het theater niet al veel meer gekookt wordt. Denk eens aan al die geuren die de zaal in kunnen drijven, om over de mogelijkheid het publiek door middel van irritante aanbakluchtjes van de zinloosheid van het bestaan te overtuigen nog maar te zwijgen. Koken blijft echter voorshands voornamelijk beperkt tot de talrijke films over restaurants en koks. En in de bioscoop ruik je niks, behalve de geur van popcorn die met speeksel in contact komt.

Minder dan aan het weer, doen beide voorstellingen recht aan de teksten waarop ze gebaseerd heten te zijn. De declamatie van T.S. Eliot in WeerSlechtWeer is zo eentonig, dat er nauwelijks enige zeggingskracht vanuit gaat.

Molière is een van de publieksfavorieten is in het Holland Festival – en dat wordt door de acteerprestaties alleszins gerechtvaardigd. Minder door de manier waarop met het oeuvre van Molière wordt omgegaan, voor zover dat tenminste überhaupt nog herkenbaar is.

Uit Tartuffe, het enige stuk dat ik goed genoeg ken om de bewerking te kunnen beoordelen, wordt een zo grove farce gedestilleerd dat je je afvraagt of de theatermakers niet beter hun eigen stuk hadden kunnen schrijven. Maar misschien zeg ik dat wel uit dépit, omdat ik me niet vanaf het toneel wil laten aanpraten dat mijn eigen, mannelijke, seksualiteit zo'n zompige, beetje viezige aangelegenheid is. Nou ja, toch knap – boze toeschouwer, dus goede voorstelling.