Televisie genant onwetend over kunst

Sinds 1769 kent de Londense Royal Academy of Arts de traditie van een grote zomertentoonstelling. De opening ervan is een sociaal evenement, waaraan The Culture Show (BBC) gisteren een programma van een uur wijdde.

Bijzonder aan die zomertentoonstelling is dat iedereen, van architect tot beeldhouwer en van amateur tot topkunstenaar, werk kan inzenden. Van de 20.000 aangemelde werken selecteert een commissie de beste 1.200, die dicht opeengepakt zonder duidelijke hiërarchie worden tentoongesteld. Alles wat er hangt en staat is te koop.

The Culture Show houdt van het doorbreken van het onderscheid tussen hoge en lage cultuur, dus werden in een reportage deelnemers voor en tijdens het selectieproces gevolgd, onder anderen een landschapsschilder en een mevrouw die bloemen portretteert. Je vraagt je af wat voor kans ze zouden maken om tussen Julian Schnabel en architect Norman Foster terecht te komen. Weinig, zo leert de reportage, maar de kijker kan in alle rust zelf ook tot die conclusie komen.

Een vergelijkbare didactiek spreekt uit een ander programmaonderdeel, waarin de kijkers een juryberaad mogen bijwonen. Zes uiteenlopende werken zijn genomineerd voor een prijs van 25.000 pond. De presentatoren koesteren terecht veel sympathie voor een video-installatie van de jonge Israëlische Sigalit Landau, Barbed Hula. De beelden van een naakte vrouw aan de kustlijn, die een hoelahoep van prikkeldraad rondbeweegt maken grote indruk. Maar er is ook een sculptuur van klassieke eenvoud van Jeff Koons genomineerd, Cracked Egg. De jury kiest unaniem voor het beste werk en niet voor een veelbelovend, licht modieus debuut.

Televisie over kunst moet toegankelijk zijn en geen elitaire opvattingen over goede smaak aan de kijker dicteren, daar is iedereen het nu wel over eens. Maar vanuit een traditie van 240 jaar openheid en op basis van kennis en gezag bij de redactie van een kunstprogramma hoeft dat nog niet tot willekeur en artistiek populisme te leiden. Dat bewijst de BBC.

In Nederland worstelt de publieke omroep, uit onzekerheid en gebrek aan specifieke know how, met de vraag naar de beste strategie om over topkunst te berichten.

Het gisteren rechtstreeks vanuit de Ridderzaal uitgezonden gala van de klassieke Edisons presenteerde een deel van de muzikale wereldtop: pianist Lang Lang, violiste Janine Jansen en sopraan Kiri te Kanawa. Maar de deftige ambiance kon niet verhullen dat het programma de bijbehorende elegantie en allure miste. Hans van den Boom, presentator van Radio 4, was genant onhandig in zijn gesprekje met Te Kanawa („Zullen we u een prijs geven?”), terwijl zijn ervaren collega Maartje van Weegen vanaf de eerste rij moest toekijken.

Nog pijnlijker is het eveneens door de AVRO een aantal keren uitgezonden Festival Classique Journaal, dat ervan uitgaat dat je vooral de onwetendheid van willekeurige voorbijgangers over klassieke muziek breed moet uitmeten. Die krijgen een koptelefoon op met Eine kleine Nachtmusik met de vraag: „Van wie is dit en hoe heet het nummer?” De antwoorden zijn hilarisch, maar nog zotter is het aanreiken van een muziekinstrument met een soortgelijke vraag. Een mevrouw in de Passage denkt dat een fagot een altsax is.

Aanleiding voor dit ondoordachte programma vormt een Haags evenement dat vermoedt dat in de openlucht uitgevoerde concerten muziek dichter bij de mensen brengen, net als het ‘open kampioenschap luchtdirigeren’. Van zulke festivals zijn er tientallen, maar voor de Nederlandse televisie is dit even belangrijk als het Holland Festival en Oerol, ook beide het onderwerp van journaals. Het toonaangevende Holland Festival moet het echter stellen met een ongunstig tijdstip in de vroege vooravond.

Elk van die journaals wordt gekenmerkt door weinig zichtbare affiniteit en dossierkennis bij de presentatoren, en vermoedelijk evenmin van de redactie. Hier denkt men dat je kunst het best onder de mensen brengt door een hoofdrol te gunnen aan andere leken. Dat is pas smaakdemocratie.