Tegengif voor het totalitarisme

Freud was ook een fijnzinnig cultuurcriticus, zo blijkt uit een interessante poging de psychoanalyticus te rehabiliteren.

Sigmund Freud in zijn studeerkamer, circa 1905, met naast hem een kleine kopie van Michelangelo’s ‘Stervende slaaf’ Uit ‘Freud - De sfinx van Wenen’, Boom, 1993

Mark Edmundson: De dood van Sigmund Freud. Het vitale belang van Freud voor onze tijd. Vert. F. van Zetten. De Arbeiderspers, 251 blz. € 19,95

Het gebeurt tijdens eerstejaarscolleges psychologie nog wel dat Freud aan de studenten wordt geïntroduceerd als een coke snuivende fantast, die zijn theorieën baseerde op weinig representatieve gevallen uit zijn eigen praktijk: hysterische, verveelde vrouwen uit de decadente Weense society. Geen wonder dat daar bizarre en seksistische hypothesen uit voortkwamen als oedipuscomplex en de penisnijd. Hele generaties psychologen zijn opgeleid zonder ooit een letter van Freud te hebben gelezen. Dat heeft wel iets van vadermoord.

Na een decennialange golf van vernietigende kritiek binnen de psychologie, lijkt de tijd rijp om niet alleen nog te smalen over de radicale elementen uit de psychoanalyse. Geplaatst binnen zijn tijd verdient Freud meer respect. Freud valt te bewonderen als een vlijmscherpe cultuurcriticus, die in weerwil van oprukkend totalitarisme vocht voor de vrijmaking van het individu, door de culturele en psychologische mechanismen achter het nazisme te verklaren, én een alternatief te bieden.

Dat is het pleidooi van de Amerikaanse literatuurwetenschapper Mark Edmundson. In De dood van Sigmund Freud beschrijft hij de laatste, veelbewogen fase uit diens leven. Centraal gegeven is de vlucht van Freud uit Wenen. Op 4 juni 1938 ontsnapte hij het net in Oostenrijk geïnstalleerde nazi-regime, met zijn vrouw, zijn dochter Anna, het dienstmeisje van de familie, zijn geliefde chowchow Lün en een lijfarts.

Freuds gevoel voor ironie blijkt uit een document dat hij moest tekenen. Het verklaarde dat hij door het nieuwe bewind van de Oostenrijkse provincie van het Duitse Rijk uitstekend behandeld was, met name door de Gestapo. Dat was nadat in het voorjaar van 1938 de nazi’s en Gestapo zijn woning hadden geplunderd, zijn dochter gearresteerd en de naast zijn huis gelegen drukkerij, die psychoanalytische werken uitgaf, hadden uitgekamd op belastende informatie en buitenlandse bankrekeningen. Freud tekende het document en voegde eraan toe: ‘Ik kan de Gestapo bij iedereen ten zeerste aanbevelen.’

Voor Edmundson staat deze opmerking symbool voor het fundamentele verschil tussen Freud en de nazi’s: die zijn allergisch voor dubbele bodems. Aan de hand van Freud legt Edmundson het nazisme uit als een ideologie die alle chaos, complexiteit en gespletenheid uit het leven wilde bannen. ‘Voor de nazi’s moest alles altijd één zijn: één volk, één natie, één leider en één betekenis: de waarheid.’

Dan hadden ze aan Freud inderdaad een slechte. Zelfs binnen de menselijke persoonlijkheid ontwaarde die verdeeldheid en chaos. En erger nog, in plaats van die op te heffen bepleitte hij acceptatie, soms zelfs cultivering van het innerlijk conflict. In de psyche vechten Es, Ich en Über-ich om voorrang, maar evenwicht of bewustwording van die strijd leidt tot menselijk geluk, terwijl onderdrukking van één van die bewustzijnskrachten psychische aandoeningen veroorzaakt.

Edmundson legt hier een verband met de ‘balance of powers’ in democratie. Daarmee wordt Freud de verkondiger van de noodzaak van innerlijke spanning – in de persoonlijkheid én in de samenleving. ‘Niet omdat spanningen zelf plezierig zijn – dat is niet het geval – maar omdat de alternatieven nog veel erger zijn.’

Smeuïge details

Dat is wat Edmundson bedoelt met de ondertitel van zijn boek: Het vitale belang van Freud voor onze tijd. Zijn beeld van Freud als ‘grootste vijand’ van Hitler buit Edmundson zozeer uit, dat het soms wel erg populariserend wordt. Nauwgezet reconstrueert hij het begin van 1938, en richt daarbij zijn camera afwisselend op Hitler en Freud, voor maximaal dramatisch effect. Hij vergeet de smeuïge details niet: Hitler heeft last van zijn spijsvertering tijdens zijn triomftocht door Oostenrijk, Freud helpt een toegewijde leerling en ex-patiënte, prinses Marie Bonaparte, met haar boek, een psychoanalyse van haar hondje Topsy. Freud was ervan overtuigd dat honden – onaangetast door de sociale dwang van het Über-ich – de zuiverste vorm van liefhebben kennen .

Op biografisch vlak heeft Edmundson niets nieuws te melden. Anekdotes als Freuds opmerking over de Gestapo heeft hij overgenomen uit de biografie van Peter Gay. Aanvullingen die Edmundson maakt, stammen uit gepubliceerde dagboeken en correspondenties. De toegevoegde waarde ligt op een ander vlak: zijn inzet om, paradoxaal genoeg, Freuds ideeën te actualiseren door ze in hun historische context te plaatsen. Dat doet hij door ze lijnrecht tegenover het nazisme te stellen en dat leidt af en toe tot verhelderende passages. Dan klinkt inderdaad de fundamentele onverzoenbaarheid door van Freuds genuanceerde mensbeeld met de brute nazistische simplificatie in termen van ras en natie.

Maar de kampioen van de democratie die Edmundson van hem maakt, was Freud niet. In veel opzichten staat hij dichterbij het nazistisch mythologisch denken dan bij het rationalisme en individualisme van de Verlichting. Zijn analyse van religie in Totem und Tabu bijvoorbeeld gaat uit van een collectief schuldgevoel dat van generatie op generatie wordt overgeleverd en de drijvende kracht is achter de vorming van een volk. Dat schuldgevoel stamt nog uit primitieve tijden, toen de ‘oervader’ van de stam vermoord werd door zijn zonen. Uit schuldgevoel roepen ze hem weer tot leven in de vorm van een allesbestierende, autoritaire vader-god.

‘Politieke religies’

Voor Edmundson is Freuds religiekritiek met hetzelfde gemak op alle vormen van totalitarisme en dictatuur toepasbaar. En daarmee sluit hij nauw aan bij de recente trend onder sommige historici om fascisme en nazisme als ‘politieke religies’ te begrijpen. In Edmundsons ogen zijn fundamentalisme en fascisme in de kern hetzelfde – psychoanalytisch bekeken. Beide beloven een opheffing van alle interne tegenstrijdigheden. Wat Freud daartegenover heeft te stellen is minder glorieus, maar in ieder geval geen valse belofte: een beetje meer zelfkennis en vrijheid door de eigen innerlijke onrust te accepteren.

In 1939 bracht Freud zijn laatste omstreden boek uit, Der Mann Moses und der monotheistische Religion, waarin enige waardering voor religie doorklinkt – de joodse wel te verstaan. Freud vatte het monotheïstische geloof in een onzichtbare en ontastbare god op als een noodzakelijke fase in de evolutie van de mensheid. Die leerde op die manier met abstractie om te gaan, door het driftleven, dat liever zichtbare goden vereert, te sublimeren. Natuurkunde, wiskunde, rechtsgeleerdheid en literatuur konden zo opbloeien.

Op dit punt staan Freuds opvattingen dichter bij het mythische collectiviteitsdenken van het fascisme. Dat is ook de reden waarom Freud zo haarfijn kon analyseren wat daar de aantrekkingskracht van was. Met zijn visueel spektakel, zijn verering van de leider als autoritaire vader-god en belofte van onmiddellijke behoeftebevrediging, vervulde het fascisme in Freuds ogen elementaire behoeften van de mens – de onderontwikkelde mens, niet in staat zijn driftleven anders te sublimeren.

Zo slaagt Edmundson erin om diepere cultuurhistorische verbanden toegankelijk te presenteren. Met zijn soms erg populariserende toon kan hij een breed publiek boeien en het tegelijkertijd verleiden om na te denken over fascisme en psychologie op een allesbehalve gemakzuchtige manier. Uiteindelijk slaagt hij erin een genuanceerde blik te werpen op de jaren dertig, en op onze eigen tijd.