Secretaresse

Secretaresse gevraagd – uit de praktijk voor en van een secretaresse heet het boek uit 1959, dat mij onlangs door een trouwe lezer in de schoot werd geworpen. Een meesterlijke worp. Het boek zegt meer over de mores van de jaren vijftig dan menige roman uit die tijd.

Het werd geschreven door ene Addie Vroegop, een naam die klinkt als een leuk bedoeld pseudoniem. Het voorwoord is van S.W. Numann, ‘general advertising director NV Philips’ Gloeilampenfabrieken’. Hij hield van de ‘Hollandse secretaresse’, schrijft hij alsof hij het over de Hollandse haring heeft. „Met haar nuchtere kijk op de gang van zaken zal zij dit voor meisjes zo attractieve vak wel op niveau weten te houden.”

Achterin het boek geven zes vooraanstaande werkgevers antwoord op de vraag: „Wat vindt u nu een goede secretaresse?” Joop Geesink, directeur van Dollywood in Amsterdam, noemt als een van de vereisten: „Relaties zo te woord staan, dat die denken dat ze een snoezig meisje is.” Wat ze vooral niet moet doen? Geesink: „Klessebesse!”

Ik krijg uit dit boek niet de indruk dat de inhoud van het secretaressewerk in de loop van de jaren sterk veranderd is. Ergens staat dat ze „als een stootblok moet zijn tussen de rest van de afdeling en haar baas, en alle onbelangrijke details van hem weten af te houden.” Dat is nog altijd zeer herkenbaar.

In hedendaagse beschrijvingen wordt, evenals in dit boek, de secretaresse als een duizendpoot gezien, iemand (99 procent is nog altijd vrouw) die voor haar baas zeer uiteenlopende administratieve functies vervult: van het bijhouden van de afsprakenagenda tot het organiseren van bijeenkomsten. Omdat ik zelf gespeend ben van ieder organisatietalent, ligt daar ook de oorsprong van mijn bewondering voor de secretaresse. Waar zij op soepele wijze de zaak op orde houdt, zou bij mij onmiddellijk de chaos toeslaan.

Secretaresse gevraagd frappeert meer door de bevoogdende toon waarop in die jaren over de vrouw in het algemeen en zo’n beroep in het bijzonder geschreven werd. „De baas” moest worden „vertroeteld, maar dan ongemerkt”. Zat er een vlek op zijn regenjas? „Verwijder die (liefst als hij even de kamer uit is) met de benzine die U toch in de kast hebt voor het vullen van z’n aansteker.” Was zijn horlogebandje versleten? „Vraag dan of U z’n horloge niet even mee naar de stad mag nemen om er een nieuw aan te laten zetten.”

Het is niet verwonderlijk dat de secretaresse in dit boek meermalen wordt opgevoerd als een „ideale echtgenote”. „Men kan eigenlijk de verhouding chef-secretaresse in zekere zin beschouwen als een platonisch huwelijk”, schrijft Addy Vroegop. Maar het moest natuurlijk wel platonisch blijven, dames! „Zij die secretaresse worden louter om romantische redenen”, waarschuwt zij, „doen er goed aan zich eerst nog eens even te bedenken voordat zij dit beroep kiezen.”

De „ideale echtgenote” mocht niet de iets minder ideale echtgenote verdringen, stel je voor.

Misschien dat Vroegop ook daarom „wijde hoepelrokken, nauwsluitende truitjes, een sterk parfum en overdreven make-up” sterk afraadde.

Je moest als secretaresse een snoezig meisje zijn, maar je mocht er vooral niet zo uitzien. Dat kon ‘de baas’ alleen maar op zeer onplatonische gedachten brengen. Er moesten niet te veel vlekken op zijn regenjas komen.