Rembrandt wilde roem en eer verwerven in Italië

Kunsthistoricus Lauro Magnani ontdekte in Italiaanse archieven dat Rembrandt een derde Italiaanse opdrachtgever had. In brieven wordt er over hem geklaagd.

Cosimo III de’ Medici, de latere groothertog van Toscane, verwierf tijdens zijn bezoek aan Amsterdam in 1669 een zelfportret van Rembrandt. En de Siciliaanse edelman Antonio Ruffo bestelde drie werken bij de schilder. Maar verder waren er tot voor kort geen concrete aanwijzingen voor schilderijen die Rembrandt zou hebben gemaakt voor opdrachtgevers in Italië.

Uit nieuw ontdekt archiefmateriaal blijkt echter dat de schilder de ambitie koesterde roem en erkenning te behalen in het land dat een zo eminente rol speelde in de artistieke eredivisie van Europa. Maar ook kan nu een nieuwe naam worden toegevoegd aan het selecte gezelschap van zijn buitenlandse opdrachtgevers. In een artikel dat vandaag is verschenen in de Kroniek van het Rembrandthuis zet kunsthistoricus Lauro Magnani uiteen hoe de schilder in de jaren 1666-1667 werkte voor Francesco Maria Sauli uit Genua.

In het Sauli-archief stuitte Magnani op brieven die op ongewoon onderhoudende wijze het verhaal vertellen van een Italiaanse edelman die een schilderij probeert los te krijgen van de beroemdste, maar misschien ook wel de grilligste, onbetrouwbaarste en geldzuchtigste kunstenaar van de Hollandse Gouden Eeuw. Het opzienbarende verhaal – dat twee jaar geleden al werd gepubliceerd in een Italiaans tijdschrift maar lang onopgemerkt is gebleven – begint op 18 juni 1666.

Twee handelsagenten van Sauli in Amsterdam schrijven aan Francesco Maria dat ze ene Giovanni Lorenzo Viviano in contact hebben gebracht met Rembrandt. Viviano was kapitein van een schip dat voor Sauli op Holland voer. De zeeman was belast met de onderhandelingen over een schilderij dat, zoals uit de stukken blijkt, bedoeld was ter decoratie van een altaar van de familiekerk van de Sauli’s, Santa Maria Assunta di Carigniano te Genua.

Sauli’s Amsterdamse correspondenten houden hun patroon nauwgezet op de hoogte van de voortgang van de werkzaamheden. Rembrandt blijkt enthousiast over de opdracht voor een groot, religieus werk voor een openbare plaats, waarmee hij ‘in onze streken lof en eer wil verwerven’. Hij komt overeen twee ‘modelli’ te maken – getekende of geschilderde ontwerpen op klein formaat om ter beoordeling aan de opdrachtgever voor te leggen. Een ervan was een voorstelling van de Tenhemelopneming van Maria, waaraan de kerk in Genua is gewijd.

In de correspondentie klagen de zakenlui over de onhebbelijkheden van de kunstenaar. Verschillende malen wordt herhaald dat hij langzaam werkt. En, ‘zoals gebruikelijk bij kunstenaars’, is hij stravagante (‘buitensporig’), komt hij afspraken niet na en verwacht hij een te grote beloning voor zijn werk. Overigens lijkt Rembrandt wat dit betreft te hebben ingebonden. Afgesproken was een bedrag van 1200 gulden. Later vroeg de schilder er 3000, maar uiteindelijk werd de prijs, ‘na veel gepraat’ vastgesteld op net iets meer dan 1000 gulden.

Een geluk bij het ongeluk van Rembrandts traagheid was dat schipper Viviano de winter toch al in Amsterdam moest doorbrengen, vanwege het ijs dat hem het varen onmogelijk maakte. Pas in februari 1667 kon hij uitvaren, met Rembrandts modellen aan boord. Daarmee eindigt voorlopig de geschiedenis van de opdracht van Francesco Maria Sauli aan Rembrandt. Voor zover bekend heeft de Amsterdamse schilder nooit een altaarstuk voor de Genuese kerk geleverd.

Mogelijk was Magnani teleurgesteld in de modellen of heeft hij zich laten afschrikken door het moeizaam verlopen ontwerpproces. Mogelijk ook heeft de definitieve opdracht daarvoor de kunstenaar, die stierf in 1669, te laat bereikt. Of Sauli heeft de ontwerpen nooit onder ogen gekregen. Uit een brief van 2 december 1667 blijkt dat het schip van kapitein Viviano bij Engeland was gezonken.

Maar het is mogelijk dat Rembrandts ontwerpen voor een Genuees altaarstuk ooit nog eens opduiken. Tenslotte is dat onlangs ook gebeurd met De Lachende Rembrandt, waarin de meester klaarblijkelijk zijn eigen gezicht als uitgangspunt heeft gekozen voor een studie van een lachende figuur. Toen het een half jaar geleden op een veiling werd aangeboden nam niemand het schilderijtje serieus als een echte Rembrandt. Intussen heeft Rembrandtexpert Ernst van de Wetering zijn zegen gegeven aan de authenticiteit van het werk, dat bij wijze van uitzondering nog twee weken te zien zal zijn is in het Rembrandthuis in Amsterdam.

Museum Het Rembrandthuis te Amsterdam. Inl.: 020-5200400, of www.rembrandthuis.nl.

    • Bram de Klerck