Oogkleppen bij musea

Afrikaanse kunst hoort in het Stedelijk Museum en zou geen zaak moeten zijn van volkenkundige musea.

Kara Walker: Untitled (bij pleidooi afrikaanse kunst)

Met hun artikelen over de gebrekkige aanwezigheid van niet-westerse kunstenaars in de Nederlandse kunstmusea snijden Harriët Duurvoort (CS, 25 april) en Werner van den Belt (CS, 9 mei) een onderwerp aan dat vanaf de jaren tachtig een heet hangijzer is in de nationale én internationale kunstwereld. Als nauw betrokkene bij deze thematiek kan ik beide auteurs zowel gelijk geven als een kritische kanttekening bij hun betoog plaatsen.

Op 18 april 1985 vond in het Tropenmuseum in Amsterdam een gedenkwaardige studiedag plaats voor medewerkers van zowel kunstmusea als volkenkundige musea, getiteld: Moderne kunst in ontwikkelingslanden. Het verslag geeft een verbijsterend beeld van een arrogante westerse claim op ‘dé’ hedendaagse kunst en een ronduit denigrerende visie op kunst uit enig ander cultuurgebied, dat immers zó vreemd is dat het maar beter met héél veel toelichting in volkenkundige musea kan worden getoond.

Eén van de deelnemers aan dit debat was Felix Valk (1929-1999), de toenmalige directeur van wat nu het Wereldmuseum Rotterdam is en dé pionier op het gebied van de introductie van niet-westerse, eigentijdse kunst in Nederland. Hij noteerde later in een Hollands Dagboek in het NRC dat kunstmusea menen dat er „geen kunst is in het niet-Westen, althans niet van de kwaliteit dat ze in kunstmusea thuishoort”. Hij vervolgde met: „Gelukkig, dacht ik, dan blijft er voor ons [de volkenkundige musea] een zee van interessante tentoonstellingen over.”

Is er, nu bijna een kwart eeuw later,

iets veranderd? Nauwelijks. Vorig jaar werd de directeur van een belangrijk kunstmuseum een topwerk van een bekende Nederlandse kunstenaar met een niet-westerse achtergrond aangeboden. Voor niets. Champagne open, zou je zeggen. Maar hij bedankte ervoor, het was te kwetsbaar.

Wel nodigde hij een kunstenaar met dezelfde culturele achtergrond uit voor een expositie. Maar dat was een kunstenaar die zich verhoudt tot de westerse beeldcanon, iemand die geen ‘andere’ culturele identiteit reflecteert. Een geassimileerde kunstenaar dus, die nooit in een volkenkundig museum zou exposeren. En hij kocht voor een kapitaal nummerbordjes van On Kawara aan. Kawara heeft geen toelichting nodig.

Deze directeur is een sympathiek en integer mens. Hij kan er niets aan doen dat hem tijdens zijn westers georiënteerde studie oogkleppen zijn aangemeten. Sterker: hij realiseert zich niet eens hoe geconditioneerd zijn kijken is. Daar kán iets aan worden gedaan.

Prof. dr. Kitty Zijlmans en dr. Wilfried van Damme doen aan de universiteit van Leiden hard hun best om met de world art studies een volgende generatie kunsthistorici op te leiden die wellicht een niet-westers ogende sculptuur niet meer zo gauw als ‘te kwetsbaar’ terzijde zal schuiven. In het Afrika Museum melden zich regelmatig studenten die oprecht geïnteresseerd zijn in de fascinerende kunst met Afrikaanse bronnen, die zowel in Afrika als buiten dat continent wordt geproduceerd.

Er is dus hoop. Maar nu kom ik op het cruciale punt waar het dan toch weer misgaat. Nog steeds vinden kunstenaars die werk met een niet-westerse klankkleur maken voornamelijk bij ons – de volkenkundige musea – een podium. Want dáár is het roer definitief om.

De huidige directeur van het Wereldmuseum, Stanley Bremer, werkt aan een megaproject waarbij een vijftal beelden van vijf kunstenaars uit een zichtbaar ander cultuurgebied op de kade van het museum komen te staan. Een essentiële toevoeging aan de Rotterdamse beeldenroute. Ook het Tropenmuseum gaat structureel aandacht besteden aan hedendaagse kunst.

Maar wanneer kan die kunst

het Boijmans binnen, of het Stedelijk? Het antwoord is duidelijk: wanneer ze zich aanpast. Hoe westerser de niet-westerse kunst, des te gemakkelijker gaan de deuren open. Voor de insiders: wèl Yinka Shonibare en Meschac Gaba, maar níet Sokari Douglas Camp of Santiago Rodríguez Olazábal.

In 2003 vroeg ik de voormalig voorzitter van het bestuur van het Aboriginal Art Museum, Simon Levi, zo’n zeldzame westerse kunsthistoricus die wèl verder durft te kijken, of dat museum niet eigenlijk overbodig zou moeten zijn. Werk van een Emily Kame Kngwarreye of een Kathleen Petyarre hoort toch gewoon in het Stedelijk of het Centraal Museum?

Levi zei: „Ik zal me daar geen zorgen over maken. Het beeld dat u schetst zal niet snel werkelijkheid worden – anders hadden we dat nu al gezien. Er hangt nog geen Aboriginal in het Metropolitan.”

Wouter Welling is conservator hedendaagse kunst van het Afrika Museum in Berg en Dal.