Na U

Ik heb een gedicht gezien dat niet uit woorden bestaat. Het komt voort uit een beweging, of eigenlijk uit de stokkende beweging van twee dichters. Remco Campert had net zijn gedicht Op de Overtoom gelezen op het openingsprogramma van Poetry International in Rotterdam.

Het dooit op de Overtoom

maar het vriest ook alweer op

melden mijn voeten

die mijn dag verlopen

ik blijf dicht bij huis

steeds dichter

dat is mijn leeftijd

In dit gedicht verloopt de tijd zo traag als dooi, al nam het nog geen minuut in beslag om het voor te lezen. Het is mogelijk de opzet van de dichter om tijd zo lang en breed mogelijk te rekken door zich bewust te zijn van elke stap. Want de dood is niet alleen meer van anderen.

ik at met mijn vriend

we braken het brood

en deelden de doden

we zijn al bijna

uit zicht

wij lachen nog

wat moet je anders?

omhelzen elkaar ten afscheid

misschien je weet maar nooit

Het was de bedoeling dat de dichters die deelnamen aan het openingsprogramma elkaar in een vloeiende beweging zouden opvolgen. Voorlezen en wegwezen, dat idee. Het ging goed, totdat Campert het podium moest verlaten. Hij stond bovenaan het smalle trapje dat naar de zaal leidde, waar Mangalesh Dabral al stond te wachten om op te gaan. Campert wachtte tot Dabral de trap gebruikte, maar Dabral zag liever dat zijn collega eerst naar beneden kwam. ‘Gaat u toch voor’, bleven beide mannen gebaren.

Ik kan niet zeggen hoe lang ze daar stonden. De avond stokte en ik hield mijn adem in terwijl deze behoedzame, welgemanierde mannen het elkaar en zichzelf onmogelijk maakten. Het was alsof de mannen dit stokkende moment omarmden om de tijd stil te doen staan.

Toen de dichters zich uiteindelijk van elkaar hadden verlost, en Dabral begon met het lezen van zijn gedicht Vermist, was het alsof Campert nog steeds aanwezig was op het podium. Hij liep door de straten van India, langs opsporingsberichten van kinderen op pishuizen in de stad en op andere drukbezochte plekken. Volgens de vage signalementen zijn ze van gemiddeld postuur,/ niet licht van kleur, maar donker of zwart,/ dragen ze slippers. De kinderen lijken al lang niet meer op hun jeugdfoto’s die hun ouders op de aanplakbiljetten plaatsten:

Nu zijn ze in een heel andere wereld

en kijken een beetje nieuwsgierig naar de opsporingsberichten

die hun wanhopige ouders af en toe bij laten drukken,

waarop nog altijd staat

dat ze tien of elf jaar oud zijn.

De oude mannen en de kinderen kijken op een vergelijkbare manier naar zichzelf. Ze lopen langs een werkelijkheid waar ze nog maar amper deel van uitmaken. ‘Na u’, zeggen ze tegen de wereld. Maar ze zien zichzelf ontbreken.