Hoe geweld in Europa aan status verloor

James J. Sheehan: The Monopoly of Violence. Why Europeans Hate Going to War. Faber and Faber, 400 blz. € 44,–

James J. Sheehan: The Monopoly of Violence. Why Europeans Hate Going to War. Faber and Faber, 400 blz. € 44,–

Honderd jaar geleden maakte Europa, net als nu, een lange periode zonder oorlog door. Sinds 1871 was er niet meer gevochten. De vredesbeweging was sterk. Regeringen hadden de handen vrij om economische groei te stimuleren en de dienstverlening aan de burgers te verbeteren. Vrijwel iedereen liet zich door de Eerste Wereldoorlog verrassen, en door de heftigheid en de duur ervan. Zo schreef The Economist in september 1914 dat het ‘economisch en financieel onmogelijk is om de vijandelijkheden nog veel meer maanden op de huidige schaal te voeren.’

Wie The Monopoly of Violence; Why Europeans Hate Going to War van de Amerikaanse historicus James Sheehan leest (Amerikaanse titel: Where Have All the Soldiers Gone?), wordt vrijwel meteen bekropen door de klemmende vraag: zijn wij even naïef als toen? Kan een oorlog in Europa ook nu uitbreken? Weinig kans, zegt Sheehan. Destijds was ‘geen verantwoordelijk regeringsleider bereid om zijn collega’s niet in de gaten te houden; de kans was altijd aanwezig dat een hunner, per ongeluk of expres, naar de wapens zou grijpen. [...] Zich voorbereiden op een oorlog was de belangrijkste plicht van de regeringsleider – niet zijn enige plicht, wel de belangrijkste. Zoals een Duitse politicus eind 19de eeuw zei: ,,Waar zijn sociale hervormingen goed voor als de Kozakken komen”? ’

Aan het begin van de 20ste eeuw had de officiersklasse een bijna aristocratische status. Nu zitten Europese legers, of wat ervan over is, vol vrouwen – een teken van statusverlies. Niet voor niets hadden Nederlandse peacekeepers in de vredesmacht Unprofor de bijnaam ‘Runprofor’, en de Spanjaarden ‘Funprofor’ (de enige schietgrage Europeanen waren de Britten: ‘Gunprofor’). Honderd jaar geleden noemden wij straten naar oorlogshelden en richtten standbeelden op voor generaals. Nu bouwen wij monumenten voor oorlogsslachtoffers.

Wat er in de tussentijd is gebeurd, beschrijft Sheehan kalm, verstandig en zonder Mars & Venus erbij te halen. Omdat Europese landen destijds grootmachten waren, hadden ze legers en voerden ze oorlog. Militaire macht was de belangrijkste bestaansgrond van de staat. Die bestaansgrond viel na de twee wereldoorlogen weg. Het continent was verwoest. Anders dan in de Eerste Wereldoorlog werden er tussen 1939 en 1945 meer burgers dan soldaten gedood.

Maar belangrijker voor de demilitarisering van Europa was de Koude Oorlog: alleen onder de stolp van Amerikaanse protectie kon Europa het zich veroorloven om in goed vertrouwen zijn legers af te bouwen en steeds minder geld in defensie te steken. En passant ontdeed Europa zich ook van zijn koloniën. Het geweld verdween nooit helemaal. Maar ‘zij die om wat voor reden nog bloed wilden vergieten, werden nu gezien als criminelen, fanaten, maniakken, niet als idealisten, helden of redders.’

Zo zijn Europese staten ‘civiele staten’ geworden. De VS hadden die luxe niet en bleven militair denken. Gezamenlijke militaire operaties zoals op de Balkan en in Afghanistan zijn daardoor extreem moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk. Ook in de ‘War on Terror’ zijn Europese en Amerikaanse reflexen volstrekt tegengesteld. Volgens Washington is terreurbestrijding een taak voor het leger en soldaten – vandaar de oorlogen in Afghanistan en Irak, de martelingen, de ‘krijgsgevangenen’, Guantánamo. Europa ziet dit gevecht meer in civiele termen en stuurt er politie en justitie op af. Dat Europese regeringsleiders geregeld bereid zijn Amerikaanse praktijken door de vingers te zien of zelfs hier te laten plaatsvinden, is bedenkelijk, maar doet aan dit verschil weinig af. Integendeel: steeds als zij op medeplichtigheid betrapt worden, reageert Europa met zoveel gêne dat het verschil juist wordt benadrukt.

In het laatste hoofdstuk, over de toekomst van de Europese veiligheid en de transatlantische betrekkingen, constateert Sheehan dat ‘Europa niet van buitenaf wordt bedreigd’ en gelukkig maar, want voor een serieuze Europese defensie bestaat toch geen appetijt. Europa wordt daarom geen ‘supermacht’, hooguit een ‘super-civiele staat’. Van deze conclusie valt niemand van zijn stoel. Daar staat tegenover dat weinigen zo helder, boeiend en fair hebben geschreven over honderd jaar oorlog en vrede in Europa, en het pacifisme dat daarvan het resultaat is.