Het onbegrijpelijke krimpen

Havik worden of duif – voor die keuze staat de hoofdpersoon van Leon de Winters nieuwe roman. Zo bezien heeft de ‘verhalenman’ Bram Mannheim wel wat weg van zijn schepper.

Leon de Winter Tekening Peter van Dongen Dongen, Peter van

Leon de Winter: Het recht op terugkeer. De Bezige Bij, 462 blz. € 19,90

Weinig mensen zullen zich iets vrolijks voorstellen bij de gedachte aan Israël in 2024, maar in de verbeelding van Leon de Winter is er wel heel weinig over: Tel Aviv is een ommuurde stad in door Palestijnen beheerst gebied. ‘Het rook zowel naar zee als stad’, schrijft De Winter op de eerste pagina van Het recht op terugkeer, ‘naar iets wat vandaag in alle onschuld en prilheid begon maar ook naar iets bestendigs wat al duizenden jaren kenmerkend was voor dit deel van de wereld: de geur van verrotting en ondergang.’

De achtergebleven inwoners worden onophoudelijk in de gaten gehouden, door agenten, door helikopters die mensen kunnen identificeren aan de hand van de vorm van hun gezicht. Om de stad in te komen moeten bezoekers een dna-test ondergaan: de autoriteiten menen daaruit af te kunnen leiden wie er wel en niet joods is – en dus wie te vertrouwen is. Nog altijd wordt Israël bedreigd door islamitische terroristen. Het schrijnendst is de onophoudelijke exodus, vooral van mensen met kinderen, naar of all places Polen en Rusland.

Tegen dit decor speelt Het recht op terugkeer zich af. Hoofdpersoon is Bram Mannheim, oorspronkelijk Nederlander en ooit een eminent progressief historicus. Nu is hij vrijwilliger op een ambulance en daarnaast werkzaam als een detective die is gespecialiseerd in het terugvinden van vermiste kinderen. Dat laatste heeft een voorgeschiedenis, die De Winter in lange flashbacks in de eerste helft van de roman uit de doeken doet. Zestien jaar eerder is Mannheims vierjarige zoontje Bennie in de Verenigde Staten verdwenen. Het heeft Bram jaren van zijn leven gekost; eerst twee jaar die hij als dakloze door de VS zwierf, ervan overtuigd dat de cijfers 2 en 8 hem de weg naar zijn kind zouden wijzen. En vervolgens nog twee jaar wanneer hij vanuit het huis van zijn oude vader in Tel Aviv zijn speurtocht voortzet. In het tweede deel van de roman brengen zijn werkzaamheden als kindervinder hem in Kazachstan, tussen de fundamentalisten.

De Winter houdt zijn verhaal spannend door eens in de zoveel bladzijden een scène in te bouwen die de lezer eens even goed wakker schudt – en dat gebeurt met de subtiliteit van de B-film: bij de vermiste kinderen komen nog een gewapende overval op straat, twee zelfmoordaanslagen, een kleuter die ineens onvindbaar is, een op een haar na verongelukte baby, een bloedige moord en een arrestatie in Amsterdam.

Gouden Strop

Die verteltechniek maakt Het recht op terugkeer tot een spannend boek – er zijn er die voor minder een Gouden Strop hebben gekregen –, maar ook tot een kunstmatige roman. Die kunstmatigheid wordt vergroot doordat een deel in de toekomst speelt. De Winter moet zich dus buigen over de staat van het menselijk bestaan over achttien jaar. Veel verder dan de verbetering van bestaande zaken (dna-identificatie) gaat zijn fantasie daarbij helaas niet. De helikopterpiloot die met behulp van een gezichtsscanner de persoonsgegevens van een burger op het scherm aan de binnenkant van zijn helm krijgt geprojecteerd, maakt een erg bedachte indruk.

Dat geldt ook voor de kolossale hoeveelheid toeval waaraan De Winter zijn personages blootstelt. En nog meer voor de wel erg soepele manier waarop in het laatste deel van de roman een fundamentalistische jongeman de als moslim vermomde Bram in vertrouwen neemt en hem de oplossing voor het grootste raadsel van het boek aanreikt.

De visie op de penibele situatie van Israël die uit De Winters toekomstvisioen oprijst is eerder helder dan leerzaam. De Israëliërs zijn in Het recht op terugkeer slachtoffers die geen weerstand hebben kunnen bieden aan de moordlustige Palestijnen in hun nabijheid. Die door hun numerieke overwicht aan het langste eind trekken in de strijd. ‘Met hun baarmoeders’, zegt een aangeschoten ambulancebroeder in het boek. Maar aan het werkelijk interessante deel van deze toekomstfantasie, hoe en waarom de oppervlakte van Israël zo radicaal is gekrompen, lees je amper iets.

Tussen de moeizame plotwendingen en de effectbewuste wijze waarop De Winter zijn verhaal spannend houdt, zijn bij vlagen sporen te vinden van de literaire auteur die De Winter vroeger was: bijvoorbeeld in terugkerende motieven als het kind dat opgroeit in een anders gelovende omgeving en het onvermogen om at sight een jood van een Arabier te onderscheiden. Of in de goede zinnen die her en der in het boek opduiken, zoals deze tekening van een door de oorlogsrealiteit ingehaalde vredesactivist: ‘Verwoest. Maar zijn kleren waren onberispelijk.’

Overlevende

Die laatste zin raakt aan het interessantste aspect van deze roman, het enige punt waarop De Winter het heeft aangedurfd de zaken te compliceren. Dat is de wijze waarop zijn personages zich verhouden tot de deprimerende Israëlische realiteit. Daarbij is vooral het verschil tussen Bram Mannheim en zijn vader Hartog interessant. Deze laatste is een overlevende van de Tweede Wereldoorlog, biochemicus, Nobelprijswinnaar en een uitermate strenge man. Een zionist van de oude stempel ook, die vanaf het begin van mening was dat vijanden vernietigd moeten worden, vóórdat zij jou vernietigen.

Zijn zoon, Bram, is in veel opzichten zijn tegenpool. Een historicus, een alfa. Iemand die naar eigen zeggen altijd op zoek was naar ‘het verhaal’. Een man van nuance, actief in de vredesbeweging. Die positie wordt langzamerhand ingehaald door de realiteit. Eerst wanneer hij op straat wordt overvallen door een groep jongens. Arabieren, meent hij. Pas in tweede instantie komt hij erachter dat het in werkelijkheid joodse jongens waren. Door Brams aanvankelijke vergissing laat De Winter zien dat de tolerantie van Mannheim in feite vernis is. Diep van binnen gaat hij ervan uit dat zijn vijanden Arabieren zijn. En dat die ‘natuurlijke’ kennis vroeg of laat wel naar buiten zal komen. Dat lijkt in lijn te liggen met de ontwikkeling van de columnist Leon de Winter, die in de loop der jaren is opgeschoven van links idealisme naar rechtser realisme.

Maar De Winters personage, Bram Mannheim, schuift niet zo eenduidig op. Wanneer zijn zoontje verdwijnt en hij doordraait, vat hij plotseling een diep geloof op in de waarde van getallen: hij meent dat hij zijn op 28 augustus 2008 verdwenen kind terug kan vinden aan de hand van de cijfers 2 en 8. Dat is in het verhaal een weinig geloofwaardige persoonsverandering, maar hij is interessant in het licht van het verschil tussen alfa’s en beta’s dat De Winter eerder heeft geschetst. Het lijkt erop dat de door de verdwijning getraumatiseerde Bram Mannheim geen ‘verhalenman’ meer wil zijn, maar een bèta wil worden. Hij goochelt vervolgens met cijfers en symboliek zoals alleen een alfa dat doet, een beetje zoals Harry Mulisch zich vermaakt met het begrip octaviteit. De cijfermanie levert Bram dan ook niets op. Even zinloos blijkt verderop in de roman het adagium van Brams vader, dat men zijn vijanden moet vernietigen voordat zij jou vernietigen.

In de keuze tussen havik en duif blijft Bram Mannheim het hele boek een tweeslachtige positie innemen. Wanneer hij vermiste kinderen zoekt is hij hard en kan hij wraakzuchtig zijn. Maar tegelijkertijd houdt hij steeds – en nagenoeg als enige in Tel Aviv – een soort vertrouwen in een menselijke toekomst. Hoezeer de wereld hem ook in de hardvochtige positie van zijn vader lijkt te willen duwen, hij blijft naar de nuance neigen. Anders gezegd: hij blijft een verhalenman.

Dat kan je moeilijk los zien van de positie van De Winter zelf. Die schreef zaterdag j.l. in deze krant dat deze roman nogal wat vertraging had opgelopen door wat hij niet zonder ironie aanduidde als zijn werk als ‘columnist/commentator/essayist’. Maar ook bij hem blijkt de urgentie van de actualiteit de verhalenverteller toch niet buitenspel te kunnen zetten. En met die verhalen een zekere vorm van nuance. Het is die verbeelding van die strijd tussen radicaliteit en redelijkheid, in Mannheim en in zijn schepper, die Het recht op terugkeer toch een bodem van authenticiteit geeft.