Het geraaskal van de adderkluwen

Sommige conflicten zijn zo langdurig en gecompliceerd dat het bijna onmogelijk wordt een redelijk standpunt pro of contra te bepalen. Goed en kwaad zit aan beide zijden, alle partijen hebben op hun manier gelijk, bij iedereen druipt de boter van het hoofd. In zo’n geval denk ik al gauw: een muur eromheen, en laat de uitputtingsslag beginnen – wie wint krijgt gelijk. Maar dat betekent een ernstige onderschatting van de complexiteit van het conflict. Eigen aan dit soort conflicten (en dat maakt ze vrijwel onoplosbaar) is dat je er juist géén muur omheen kunt zetten.

Neem het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Europa en Amerika zijn er op allerlei manieren bij betrokken, en hetzelfde geldt voor een deel van de islamitische wereld. Hele bibliotheken zijn erover vol geschreven, maar als ergens de onmacht van het woord kan worden ervaren, dan hier. Tegelijkertijd bestaat het conflict voor een niet onbelangrijk deel uit woorden. Opruiende, rechtvaardigende, bevelende, emotionerende, angstaanjagende, heilige woorden.

De onmacht beperkt zich vooral tot het redelijke woord, het woord waaraan men zich na een open discussie besluit te houden. In een conflict als dit kan alleen het onredelijke woord hopen op enig effect. Veel hoop koester ik desondanks niet voor Wessel te Gussinklo en zijn pamflet Palestina als adderkluwen. De Israëlische tragedie – niet omdat het zo redelijk is maar omdat de direct betrokkenen het waarschijnlijk nooit zullen lezen. Het is alleen wel een heel merkwaardig pamflet, door Elsbeth Etty in haar recensie (Boeken, 16.05.08) afgeserveerd als ‘geraaskal’.

Onbegrijpelijk is die typering niet, want Te Gussinklo doet zijn lezers wat aan. Eindeloos kronkelen zijn zinnen over de pagina’s, terwijl de halve wereldgeschiedenis voorbij komt, voorzien van een buitensporige hoeveelheid komma’s, haakjes, vierkante haken en gedachtestreepjes. Het begrip uitweiding of terzijde krijgt hier een hoogst paradoxale betekenis, want het relaas lijkt soms volledig uit uitweidingen en terzijdes te bestaan: de uitzondering is regel geworden. Wie de andere boeken van Te Gussinklo kent (bijvoorbeeld de roman De opdracht of het lange essay Aangeraakt door goden), weet dat het bij hem altijd zo gaat. Misschien zou je het ‘geraaskal’ dus ook stijl kunnen noemen.

Eigen aan geraaskal is dat er geen zinnige betekenis aan te ontlenen valt. Maar dat is bij Te Gussinklo niet het geval – hij ziet het Israëlisch-Palestijnse conflict binnen het kader van een mondiale botsing tussen de westerse wereld en de islamitische cultuur, met in het verschiet een ‘eindstrijd’ die zich in Palestina, dit ‘land der landen’, zal voltrekken. Als de westerse wereld zichzelf nog niet heeft opgegeven, dan zal zij Israël moeten steunen – in weerwil van het onrecht dat ook de Israëli’s hebben aangericht. Bij nader inzien blijkt de uitzondering toch geen regel, het relaas kent wel degelijk een hoofdlijn. Misschien een wat simpele, paranoïde of apocalyptische hoofdlijn, maar niettemin: een hoofdlijn. Blijft die lawine van terzijdes en uitweidingen, waaruit de stijl van Te Gussinklo bestaat.

Het is een nog altijd wijdverbreid misverstand dat stijl mooi moet zijn, elegant, welgevormd op een bijna onpersoonlijke manier. Bij Te Gussinklo zullen we er niet ver mee komen. Daartegenover staat de opvatting dat stijl de expressie is van de persoonlijkheid van de schrijver. Dat komt meer in de richting. Stijl moet karakteristiek zijn, eigen, oorspronkelijk – lees één alinea van zo’n stilist, en je weet wat voor vlees je in de kuip hebt. Een nadeel is dat stijl in deze opvatting welhaast een biologisch gegeven is geworden, iets wat klakkeloos op elk onderwerp wordt losgelaten, omdat de schrijver nu eenmaal niet anders kan.

Of Te Gussinklo anders kan, weet ik niet. Wat ik wel weet is dat de stijl in Palestina als adderkluwen niet losstaat van het onderwerp, integendeel. In een methodologisch terzijde geeft de auteur zich daar rekenschap van. De merkwaardige manier van schrijven blijkt alles te maken te hebben met zijn scepsis ten aanzien van de waarheid. Waarheid is volgens Te Gussinklo iets voor totalitaire geloven en ideologieën als fascisme, communisme en hun hedendaagse opvolger, de extremistische islam. Zij bieden zekerheid en samenhang te midden van de ‘volstrekt chaotische in oneindige tegenspraak verkerende werkelijkheid’. Aan die werkelijkheid probeert Te Gussinklo recht te doen met al zijn uitweidingen en terzijdes. Toch ontkomt ook hij er niet aan met zoiets als waarheid te schermen, een waarheid die hij aanduidt als ‘proportionaliteit’ en die omzichtig moet worden benaderd, via ‘een kreeftengang van gelijkenis naar gelijkenis, van gelijksoortigheid naar parallelliteit naar analogie, om te omsingelen, om zichtbaar te maken’.

In deze – zeer romantische – kijk op waarheid is het beeld belangrijker dan logica of redenering, net zoals dat bij geloven en ideologieën het geval is. En zie, opeens bewijst de kronkelige stijl van Te Gussinklo zijn kwaliteit: als een bijna tastbaar beeld van de ‘adderkluwen’ uit de titel van het pamflet. Meteen wordt ook duidelijk hoe we dit ‘geraaskal’ zouden kunnen waarderen. Want een stijl die evenveel zegt over het onderwerp als de gedachtegang van de schrijver, beweegt zich voorbij het onderscheid tussen mooi en lelijk en is méér dan de expressie van een persoonlijkheid. Een tekst die in zo’n stijl is geschreven, vertoont een volmaakte eenheid van vorm en inhoud. En was dat niet een van de belangrijkste kenmerken van literatuur, die verbale thuishaven voor alle onoplosbare conflicten?