Heilig verkeer Nederland

In een Aardenburgse kerk schittert Maria met de Inktpot. Ze is vooral aantrekkelijk voor lijders aan writer’s block. Nederland wemelt van dit soort bedevaartsoorden. Cees Nooteboom (‘De omweg naar Santiago’) las een inventarisatie daarvan en herinnert zich zijn eigen pelgrimstochten.

Boxmeer In 1400 viel tijdens de consecratie witte miswijn rood en bruisend over de rand van de kelk. Een druppel viel op het witte altaardoek. Hierop verdween de geloofstwijfel van priester Arnoldus Groen en de doek werd een voorwerp van verering. Boxmeer werd een bedevaartsoord waar velen genazen. Foto's uit besproken boek

Charles Caspers en Peter Jan Margry: 101 bedevaartplaatsen in Nederland. Bert Bakker, 570 blz. € 39,95

Pelgrim, pélerin, peregrino komt van de uitdrukking per ager, op-het-veld zijn, over de akker lopen. En, zegt Susanne Schaber in haar boek Den Sternen entlang, voor Dante was een peregrinus een reiziger, een dakloze. Dat kun je van de bedevaartgangers in het boek 101 Bedevaartsplaatsen in Nederland niet zeggen, al was het maar omdat ze alle 101 in Nederland liggen en je dus makkelijk ’s avonds weer onder je eigen dak kunt slapen.

Het is een eigenaardige verzameling die hier bijeengebracht is, en dan is het kennelijk volgens de schrijvers nog maar een deel van wat hier in Nederland bestaat, in het totaal zijn of waren er 660 plekken (nog 248 zijn er actief) waar mensen naar toe trokken op zoek naar genezing, zieleheil, het stillen van hun spirituele honger of misschien ook gewoon op zoek naar gezelschap en opheffing van de eenzaamheid.

Het boek, en dat is niet de schuld van de schrijvers, maakt een merkwaardig anachronistische indruk, alsof er twee tijden tegelijk aan de orde zijn die elkaar niet helemaal verdragen. Terwijl sommige religieuze bedevaartsoorden langzaam wegkwijnen, komen andere juist weer op, gedeeltelijk ook aangewakkerd door de intense, maar ook modieuze opleving van de pelgrimstocht naar Santiago de Compostela.

De kerken lopen leeg, maar de gelovigen – als het gelovigen zijn – blijven niet thuis bij hun alles wetende maar eenzame computers. Zij lopen naar de haarlokken, vingernagels, mantelzomen, sandalen, schedels en botten van zaligen, naar de plaatsen waar heiligen vereerd worden die beschermen tegen stuipen, veeziekten, keelpijn, gekte, onvruchtbaarheid en andere legitieme zorgen waarop je zou denken dat de moderne geneeskunst en wetenschap het antwoord intussen grotendeels gevonden hebben. Daar gaat het dus kennelijk niet om, er is duidelijk nog een wonderlijk reservoir aan antiek volksgeloof met curieuze varianten, die in dit boek met nuchtere acribie worden beschreven, waardoor het boek zelf een leerzaam curiosum geworden is omdat het op bijna 600 pagina’s afstandelijk noteert wat een aantal van onze medemensen in de 21ste eeuw nog beweegt.

Een agnost lacht minzaam en waarschijnlijk licht misprijzend bij al deze uitingen van oud en nieuw rooms of antiek bijgeloof en bij de gedachte dat er in onze dagen nog auto’s gezegend worden. Of hij denkt, wie weet, dat je je beter met de chauffeurs van die gezegende machines zou kunnen bezighouden. Ook verbaast hij er zich misschien samen met een verlichte katholiek over dat iemand zou geloven dat de in 1950 overleden en nooit zalig of heilig verklaarde Jan Witte uit het Brabantse Megen (die het net als ik niet kon bolwerken op het gymnasium van de franciscanen in Venray, zij het dan om andere redenen) zou kunnen helpen bij het zoeken naar een woning. Aan de andere kant, als je je niet verwondert bij de gedachte dat iemand uit een maagd geboren kan worden of uit de dood is opgestaan, heb je met meer aardse en praktische wonderen waarschijnlijk ook geen moeite, en wie wil er nu niet van kraamvrouwenkoorts of botkanker genezen worden?

De schrijvers van 101 bedevaartplaatsen, Peter Jan Margry en Charles Caspers, benaderen Jan Witte en de vele al dan niet heilige mannen en vrouwen uit 2000 jaar christelijke geschiedenis met wetenschappelijk respect. Ze komen tenslotte niet voor niets uit het catalogiserende heiligdom van het Meertens Instituut, dat zo haarfijn beschreven is door wijlen J.J. Voskuil. De wonderen die al die heiligen gedaan hebben en volgens hun vereerders nog steeds doen, hun attributen, het zwaard waardoor ze gestorven zijn, het been dat ze genezen hebben, de koe die de veestapel moet verbeelden die ze moeten beschermen, het hoe en waar ze gestorven zijn – het komt allemaal net zo aan de orde als het hoe en waar je ze, al dan niet te voet, kunt gaan vereren.

Naar Jan Witte in Megen komen nog dagelijks pelgrims en leggen briefjes in de handen van zijn beeld. Ook dat kan verklaard worden, want Everardus, zoals zijn kloosternaam luidde was ‘fameus geworden in de naoorlogse wederopbouwtijd met zijn grote tekort aan woningen’. Wat ze zelf van dat alles denken wordt terecht niet duidelijk. Wel valt het op dat ze de term Moeder Gods zonder blozen overnemen (blz. 23), dat ze op bladzijde 29 zeggen dat Maria in 1858 enkele malen aan ‘het herderinnetje Bernadette Soubirous was verschenen, terwijl er bij het Mirakel van Amsterdam nog gezegd wordt dat het zou hebben plaatsgevonden, wat toch een iets voorzichtiger opstelling is.

Bloedende hosties, wonderbaarlijke genezingen, Odiliawater en koortsbomen, broederschappen en maagdenkoren, dit land is wonderlijker dan je zou denken, en sommige foto’s van processies in het boek doen aan Fellini denken, een wereld die verdwenen leek maar nooit helemaal weg was. Maar ook de tegenstellingen worden uitgelicht, zoals tussen de strenge Nijmeegse kapel voor de in Dachau gestorven karmeliet Titus Brandsma en de parochiekerk in het Zeeuws-Vlaamse Aardenburg met zijn gebrandschilderde ramen waarop Edward III en een ter plaatse vereerde heilige Maagd worden afgebeeld die de onweerstaanbare naam draagt van Maria met de Inktpot, aantrekkelijk voor auteurs met een writer’s block.

Wat een extra dimensie aan het boek geeft is de manier waarop geschiedenis er bijna onopvallend in verwerkt is: de Bourgondische tijd, de beeldenstorm, de invloed van het calvinisme en de daarop volgende onderdrukking van het katholieke volksdeel, dat tegen de verdrukking in een aantal gebruiken en relikwieën wist te bewaren en in de 19de eeuw voorzichtig begon te emanciperen, antipapisme – iets wat je bij calvinistische renegaten als Maarten ‘t Hart nu nog terugvindt – er valt veel te leren. Het boek is, kortom, een amalgaam van atavismen, volksgeloof, heiligheid, Wandervögel, devotie, geschiedenislessen en goedaardige tovenarij. Er is een wereld in kaart gebracht waarvan Ronald Plasterk zal gruwen, al was het maar omdat hij er zelf uit voortkomt, maar die niemand hoeft te verbazen in het land van Jomanda en dominees die niet in God geloven, en waarin de meeste potentiële pelgrims waarschijnlijk van Mekka dromen. Daarmee voldoen ze dan trouwens aan een van de voorwaarden van de auteurs waar ik het niet, of niet helemaal mee eens ben. Hun eerste voorwaarde is: ‘dat er een specifieke, in principe vast verankerde, heilige locatie of ruimte is’. Daarvan geven zij er dus 101, maar het is met de volgende voorwaarde dat ik het wat moeilijker heb: ‘dat mensen deze plek bezoeken vanuit een religieuze motivatie’. Als je die niet hebt – en dat zijn er velen – mag je je van Margry en Caspers geen pelgrim noemen.

Ik weet het niet. Nadat ik mijn boek over Santiago de Compostela geschreven had, heb ik van allerlei mensen brieven gekregen, ook van mensen die, net als ik, niet geloven. Ik herinner me twee ontmoetingen langs de Melkweg – zoals de bedevaartweg ook wel heet. Ik maakte een reportage voor Radio France Culture en sprak, onafhankelijk van elkaar, twee Nederlandse pelgrims aan. Ze hadden geen vlaggetje op hun rugzak, maar ik herkende ze toch. Beiden waren ze, puur toeval, professor, de eerste medicijnen, de andere journalistiek, en beiden waren alleen onderweg, en vanaf de Pyreneeën is dat een maand lopen. Ik vroeg hun of ze katholiek waren. De ene antwoordde op tamelijk hoge toon en met grote nadruk, meneer, ik ben rooms katholiek, de andere zei, nee, ik ben atheïst, ik doe dit om mijn werkend leven af te sluiten. Mocht hij geen pelgrim heten?

Van mij wel, al was het maar omdat ik in de afgelopen jaren in Japan tweemaal de pelgrimstocht van de 33 tempels (Saigoku) gemaakt heb, veel lopen en klimmen. Die tempels zijn gewijd aan de 33 manifestaties van Kannon, de godin van barmhartigheid uit het boeddhistische pantheon (die ooit in India nog een man was), en die voor iemand met een katholieke afkomst verdacht veel op Maria lijkt, al heeft die dan geen elf hoofden, duizend armen of een paardekop zoals haar Japanse zuster. Sommige van die tempels zijn eeuwen oud, en komen al voor in wat voor mij de eerste grote roman is, Het verhaal van Genji van Murasaki Shikubu uit het jaar 1000 (er bestaat geen Nederlandse vertaling).

Een boeddhist ben ik niet, maar tijdens die lange tochten heb ik me wel een pelgrim gevoeld, want al klapte ik dan niet bij aankomst in mijn handen en brandde ik geen wierook en zong ik niet mee met de soetra’s, het gaat ook en vooral over het lopen en het denken dat daarbij hoort. Ik was, net als die anderen, per ager, onderweg over de velden. Wie wil weten hoe dat voelt kan met dit (zware) boek in zijn reistas een voorzichtig vaderlands begin maken. Dat de auteurs van dit verder vrijwel onberispelijke boek Juan de la Cruz Jan van het Kruis noemen, moeten ze zelf weten, maar dan heet Francis Bacon Frans Spek, en wordt Arnon Grunberg familie van Claudio Monteverdi. Namen liever zo laten dat de genoemde het begrijpt als hij geroepen wordt.

Susanne Schaber: Den Sternen entlang, Drei Pilgerwege, Jakobsweg, Kailash, Qoyllur Rit ‘i. Picus, Wenen 2004.