Dit verhaal is niet van jou

Oorlogscorrespondent James Meek laat zien hoe verslaggevers een oorlog beïnvloeden. Hij doet dat in een roman over de moraal van de schrijver én de soldaat.

Gevluchte inwoners van Kabul keren huiswaarts via de provincie Wardak Foto Damir Sagolj/Reuters Reuters

James Meek: We zetten nu de afdaling in. Vertaald door Mea Flothuis. De Arbeiderspers, 305 blz. € 19,95

November 2001: oorlogsverslaggever voor The Guardian James Meek is op bezoek bij enkele Afghaanse militairen die voor de Alliantie werken. Hij is in gesprek met de Afghaanse kapitein Merzagol. Merzagol laat zien wat ze aan militair materieel hebben, terwijl in de verte vrachtwagens goederen vervoeren voor de Talibaan. ‘Waarom schiet je niet op ze als je weet dat ze Talibaanspullen vervoeren?’ vraagt Meek.

Hij krijgt vijf antwoorden en één verklaring: wat heeft het voor zin om deze vrachtwagens te beschieten terwijl er nog veel meer zijn; wat heeft het voor zin als de Amerikanen de oorlog voor ons gaan winnen; wat heeft het voor zin om die vrachtwagenchauffeurs neer te schieten terwijl ze alleen maar goederen vervoeren; wat heeft het voor zin want overdag vervoeren ze spullen voor ons, ’s nachts voor de Talibaan; waarom zullen we risico’s nemen in bijzijn van een buitenlandse journalist; de kans is bovendien groot dat we missen en dat is verspilling van munitie.

Merzagol, die ook niet echt met de antwoorden uit de voeten kan en zich door de vraag in het nauw gedreven voelt, geeft alsnog het bevel te schieten. De schoten missen hun doel, Merzagol is opgelucht.

Deze ervaring verwerkte Meek in zijn grandioze roman We zetten nu de afdaling in. Hierin is oorlogscorrespondent Adam Kellas voor de Britse krant The Citizen op een nacht aanwezig in een vergelijkbare situatie. Kellas stelt dezelfde vragen aan de commandant als Meek deed, krijgt dezelfde antwoorden en hetzelfde resultaat. Er wordt geschoten, alleen is het in de roman wél raak: twee vrachtwagens vliegen in de fik, waarbij de chauffeurs levend verbranden. Kellas voelt zich verantwoordelijk terwijl collega-verslaggever Astrid zich afvraagt waarom deze doden betreurenswaardiger zouden zijn dan andere oorlogsslachtoffers. Kellas wil op zoek naar de weduwen om zijn verhaal te doen maar zijn tolk raadt hem dat af: wat moeten ze daarmee onder deze omstandigheden?

Juiste plek

Meek, die eerder de roman Uit liefde van het volk schreef, stelt in zijn boek meer vragen. Zoals: waar liggen voor een oorlogscorrespondent de grenzen van de individuele verantwoordelijkheid, kun je – wanneer een verslag niet genoeg ruimte biedt en ook niet de juiste plek is voor zelfonderzoek – de rest van je verhaal beter verwerken in een roman?

Zo gesteld lijken het clichématige vragen die, wanneer er geen antwoorden op volgen, diepgang suggereren die er niet is. Maar Meek doet meer dan kwesties oproepen, hij behandelt ze in zijn roman bewust als clichés. Zo legt Astrid aan Kellas uit dat hij zichzelf een te grote rol toebedeelt door te denken dat hij verantwoordelijk is voor de schietpartij. Meek laat alle aanwezige correspondenten in Afghanistan naarstig op zoek gaan naar een verhaal, uit angst dat met de bevrijding van Kabul de oorlog wel snel zal zijn afgelopen.

Alle journalisten lopen tegen dezelfde vraag op: hoe verwerk je leed dat niet het jouwe is, en moet je dat wel willen? Dat wordt treffend geïllustreerd in een scène waarin Kellas bij een diner in gesprek raakt met een columnist die de wereldpolitiek beschouwt zonder ooit zijn rozentuintje te verlaten. Deze columnist, tevens gastheer en trotse bezitter van een borstbeeld van Lenin, vraagt Kellas hoe het er nu echt aan toe gaat in een oorlogsgebied. Kellas beantwoordt de vraag met een driftaanval. Hij smijt al het kristal, het dure servies en het antieke meubilair van de columnist kapot. En als toetje wordt de kop van Lenin door de ruiten gesmeten. Einde gesprek, maar de gastheer houdt er een mooie column aan over: hij weet nu hoe het is om een ramp te ervaren.

We zetten nu de afdaling in is geen rechttoe rechtaan anti-oorlogsroman, maar gaat vooral over de onmogelijkheid tot waarachtige empathie. Natuurlijk worden er wel opmerkingen geplaatst als ‘ze kunnen de oorlog wel plannen maar niet voorkomen’ of ‘De oorlog is amper begonnen of ze hebben het al over de volgende’. Ook komen de zinloosheid van oorlog en de zwart-wit visies op de Talibaan aan de orde. Zo wil in zowel het Guardian-verslag van Meek als in de roman de commandant niet schieten omdat de Talibaanstrijders van nu ook bondgenoten waren of misschien zelfs nog wel zijn. Maar dat zijn opmerkingen die niet veel toevoegen. Naast zulke opmerkingen stelt Meek ook de interessante vraag hoe je kunt omgaan met leed dat zich voor je ogen afspeelt. Hij doet dat veelzeggend genoeg uit de doeken door Kellas schrijfplannen te laten maken. Zo werkt Kellas aan een literaire thriller, die over een oorlog tussen de VS en Europa gaat (en in de roman terecht wordt afgedaan als het handig inspelen op goedkoop anti-Amerikaans sentiment), maar is hij ook bezig met een bestseller over een meisje in Iran. Dat meisje wordt, terwijl ze op weg is naar de moskee, neergeschoten door de Amerikanen. Het meisje staat voor onschuld en martelaarschap en haar verhaal zal daarom voor de schrijver veel geld in het laatje brengen. ‘De richting deed er niet toe, de emotie wel’, bedenkt Kellas.

Meek gebruikt daarnaast enkele personages die een plek in de literatuur zoeken als toetssteen voor zijn literatuuropvatting. En daardoor wordt duidelijker waarom hij de ervaring die hij in november 2001 bij de Afghaanse troepen opdeed veranderde in iets noodlottigs. Zo raakt hij in het vliegtuig in gesprek met iemand over een Chinese bestseller Red Hearth, White Crane: een vier generaties omvattende Chinese vrouwenroman waarin veel leed wordt overwonnen en de wil om te overleven zegeviert. Mensen willen het verdriet zelf niet ervaren, maar wel beseffen dat het bestaat, concluderen Kellas en de passagier. En dat is ook precies wat Astrid Kellas verwijt wanneer hij bij hun weerzien in de VS over het voorval met de vrachtwagens begint. ‘Je moet zonodig je iemand anders z’n drama toe-eigenen omdat je eigen stommiteiten niet groot genoeg zijn voor een drama. Als je denkt dat je hebt meegeholpen aan de dood van die mannen, tja, dat zal best. Ik ook, denk ik zo.’

Pretentie

En daarin zit het antwoord op de vraag waarom Meek dat schietincident noodlottiger maakte. In de roman laat hij zien hoe de aanwezigheid van verslaggevers een bijdrage levert aan de oorlog. De pretentie onafhankelijk te zijn is onhaalbaar. Meek toont aan hoe onmogelijk het is om met die verantwoordelijkheid om te gaan. Je kunt proberen je een drama toe te eigenen maar dat heeft geen zin. En als je al verantwoordelijkheid wilt nemen, is de roman daar geschikter voor dan het krantenverslag, dat te weinig ruimte biedt voor zelfonderzoek.

Maar iets verderop laat Meek iemand zeggen: ‘Romans en toneelstukken zijn er niet om de mensen te laten zien wat ze moesten zijn of te voorspellen wat ze zouden doen. Ze laten zien wat mensen zijn.’ En even verderop ‘Dat is dan een probleem dat de literatuur moet oplossen: het ontbreken van een moreel kader. Het gebrek aan modellen voor heldhaftig en patriottisch optreden’.

Voor Meek zelf is het ontbreken van een moreel kader juist niet een probleem dat de literatuur moet oplossen, maar een uitgangspunt dat de romanschrijver of de journalist onder ogen moet zien. In een roman kan je dat thema uitvergroten en dramatiseren – bijvoorbeeld door wél goed te laten mikken op een colonne vrachtwagens om zodoende het morele dilemma aan te scherpen. Dat je daarmee niets oplost maakt Meek aan het slot duidelijk door subtiel de spot te drijven met een happy ending: Kellas en Astrid zijn in Irak op weg naar Basra. Hand in hand zitten ze samen in de auto, totdat de toeschouwer niets anders meer waarneemt dan ‘twee donkere stippen, kruipend als luizen door de woestijn over de lege weg’.