Dit Oranje is wit en dorps en gelukkig

Je ziet nog weinig stedelijke types in de Oranjeselectie.

De duivel van het machismo is ingeruild voor tederheid.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer The Sound of Music: Dit Oranje wit en dorps en gelukkig Illustratie Ruben L. Oppenheimer Oppenheimer, Ruben L.

Ik geloof dat het Rudy Fuchs was die zei: „,Je kijkt naar Caravaggio zoals je een ouwe kaas ruikt.” Zoiets heb ik nu met het Nederlands elftal: het ouwe kaasgevoel.

Oranje is bijna radicaal wit. Orlando Engelaar en Nigel de Jong natuurlijk niet, maar zij zijn stiller dan hun verleden. Je hoort ze niet. Ook de technische staf is geheel ontkleurd, met Kees Jansma als de ultieme blanke man. Een Friese nekspier, grote witte tanden, en altijd waggelend van genoegen. Nooit slavernij gekend.

Allicht is de ontkleuring van Oranje geen beleidskeuze. Maar om nu te zeggen dat het puur toeval is, gaat ook te ver. De blanke overheersing heeft te maken met de plattelandisering van Oranje. Je ziet nog weinig stedelijke types in de selectie. De iconische orde komt nu uit Bedum, Beverwijk, Voorhout, Geffen, Utrecht. Dan krijg je niet zo gauw een goudwinkel aan de bal.

Dorpelingen zijn niet gevoelig voor hiërarchie, zij willen plezier. Er is altijd wel iets te vieren, en dat doe je dan samen. In miniaturen van sentiment en vertier. Zoals Rafael van der Vaart eens zei: „Ik weet nog dat opa elke ochtend op het raam van de woonwagen kwam tikken. Die tik heb ik in mijn hoofd opgeslagen.” Of met de woorden van Wesley Sneijder: „Er gaat niets boven een moeder.” Romantiek van beukennootjes. Ik hoor dat er nu ook gezongen wordt, in de kleedkamer en in de bus. Oranje in samenzang: de generatie Davids-Kluivert-Bogarde had het bestorven in een rochel. De kabel kende wel een ander muziekje.

Wat ook helpt voor de eenvormigheid van de groep is de familiale idylle. De internationals staan na de wedstrijd met hun kindjes op de arm. Uiteraard blonde krullenbollen. De duivel van het machismo is ingeruild voor tederheid. Een iets te ostentatieve tederheid, maar dat heb je met dorpelingen: de maat ontbreekt, zowel in venijn als in sociale charme. Als ik al die vaderlijke innigheid van Van der Sar, Ooijer en Kuijt bij elkaar veeg, zou je denken: ook het overspel is minder geworden, bij Oranje. Dat de virtuoos Van der Vaart er, midden in een toernooi, aan denkt dertig rode rozen te laten bezorgen voor de verjaardag van Sylvie is een teken van verregaande complexloosheid. Er zit geen dwangneurose in dit Nederlands elftal. Vrij en speels de tegenstander tegemoet.

Dan win je van Italiaanse systeemhufters.

Het Nederlands elftal speelt de dichter Eliot na: intellect is ook emotie. Oranje barst van de emotie, Kuijt en Sneijder voorop. Slimme voetballers, maar niet te beroerd om gelukkig te zijn als het loopt. En dat dan ook te laten zien. Dan krijg je tsunamigewijs de natie achter je. In geen jaren is er zoveel volksgunst gecollecteerd voor Nederlandse voetballers als die maandagavond in Bern.

God doet er even niet toe.

De Verlosser ook niet. Wat een pijnlijke avond voor Johan Cruijff. Je zag hem met de minuut valer worden. Alle buitenlucht trok weg uit zijn gezicht. Hij zat erbij als Roemeens perkament. Niet echt een blanke man meer.

Johan werd maandagavond geheel weggespeeld. Opeens was de kunst van Gio en Orlando niet langer de toevoeging aan de plattegrond van zijn bestaan. Johan Cruijff werd in Bern verwezen naar de stilgelegde tijd. Er was een nieuw systeem ontstaan dat superieur bleek aan zijn antieke structuralisme en breedsprakige abstracties. De kenner bleek voor het eerst in zijn professorale leven niet meer bij de tijd te zijn. Zijn legende werd voltooid, in een grotesk misverstand. Daar bovenop kwam de vernedering van Marco van Basten die, refererend aan een sms’je van zijn dochter, zei: „Je kan dus wél van Italië winnen.”

Johan was toen al gesmolten tot een roestige vlek.

Hugo Camps schrijft sportcolumns voor NRC Handelsblad, „liefst over wielrennen want dat is het epos van de eenling. Voetbal is collectief gedoe”.

    • Hugo Camps