Denken als een sprinkhaan

In de jeugdanekdotes van L.Th. Lehmann gaat het niet om grote verbanden. Maar zijn ‘hervonden’ werk biedt vooral geestige en scherpe gelegenheidspoëzie.

L.Th. Lehmann Foto Leo van Velzen Amsterdam, 01-11-06. Louis Th. Lehmann. Dichter, scheepsarcheoloog, prozaist, essayist en surrealist. Foto Leo Th. van Velzen NrcHb. Leo van Velzen Velzen, Leo van

L.Th. Lehmann: Laden ledigen. Een keuze uit hervonden werk. De Bezige Bij, 268 blz. €24,90

L.Th. Lehmann: Bescheiden kunsten. Teruggevonden gedichten. Brumes Blondes, 80 blz. €17,–

Louis Lehmann, geboren in 1920, enig kind, was vroeger bang om ’s nachts alleen gelaten te worden. Daarom bleef de deur tussen zijn slaapkamer en die van zijn moeder open. Vader voer op de grote vaart en was niet vaak thuis. Als hij er wel was, en als de kleine Louis dan geluiden uit de ouderlijke slaapkamer hoorde komen die hij niet helemaal kon thuisbrengen, schreeuwde hij door de open tussendeur: ‘Laat haar los.’ Mooi verhaal. Freud zou er wel een duiding aan kunnen geven.

Nog een mooi verhaal. Het is mei 1940. De oorlog is begonnen. Louis Lehmann woont met zijn moeder in Overschie, bij Rotterdam, en volgt de vliegtuigen, de beschietingen en de branden van nabij. Op een van die dagen wordt er aangebeld. Er staat een beleefde Duitse soldaat voor de deur die vriendelijk vraagt om een glaasje water.

Nog een ander mooi verhaal. In 1945, na de bevrijding, richtte de student Lehmann een uit één man bestaande commissie op. Die moest onderzoeken of het woord ‘caroussel’ in de naam van de Leidse Caroussel Vereniging juist gespeld was. Hij was het enige commissielid en de commissie was dan ook snel klaar met haar onderzoek.

Het zijn maar drie van de vele anekdoten die Lehmann vertelt in een lang verhaal, van 25 bladzijden, over zijn jeugd. Daarin gaat het niet om grote verbanden en niet om overkoepelende inzichten. Het verhaal springt van de hak op de tak en het houdt ook zomaar ergens op: in 1955, als Lehmann 35 is, en hij van Leiden naar Amsterdam vertrekt om daar archeologie te gaan studeren. We krijgen hier een goed beeld van de ‘grasshopper mind’, de sprinkhanengeest van Lehmann. De term is van Alida Beekhuis, partner van Lehmann en schrijfster van een korte schets over zijn leven en werk, opgenomen in Laden ledigen: een ruime bloemlezing uit het vele nog niet eerder gepubliceerde werk dat zich in Lehmanns laden en dozen bevindt.

Lehmann heeft in zijn leven van alles gedaan. Hij is copywriter geweest, dj, rapper, vertaler, tangodanser, hij is doctor in de scheepsarcheologie, hij heeft geschilderd, opgetreden in films, hij heeft muziek gecomponeerd, een ballet ontworpen, en hij heeft een kleine zeventig jaar geschreven: verhalen, essays, recensies en gedichten. Beekhuis schrijft dat de behoefte aan vrijheid en ruimte als een rode draad door zijn leven en werk loopt. Hij was altijd ‘voor alles te porren’.

Laden ledigen is dan ook een bont boek geworden, met van alles door elkaar: tekeningen en schilderijen, beschouwingen, muziekstukken (waaronder de ‘Unilever Suite’ en de ‘Psychoanalysis Blues’), vertalingen (van gedichten van Libby Houston en Alfonsina Storni), een toneeltekst en een choreografie, voor een ballet, radiopraatjes, recensies – en veel gedichten, uit alle perioden van zijn dichterschap.

Tegelijk verscheen bij de kleine uitgeverij Brumes Blondes een kleinere, maar vergelijkbaar gevarieerde keuze uit zijn teruggevonden gedichten en tekeningen. Vorig jaar verscheen al, in de Slib-reeks, de bloemlezing Louis Lehmann als homo universalis. Met een eerdere keuze uit zijn proza (in 2005) en twee dichtbundels (in 2003 en 2006) komen we zo op zes bundels in vijf jaar tijd. Volgens Beekhuis zijn er uit al het teruggevonden materiaal nog wel twee boeken van de omvang van Laden ledigen te vullen. Hoeveel Lehmann kan de markt nog aan?

Zijn tekeningen en schilderijen zijn aardig, maar ook niet veel meer dan dat. Zijn muziekstukken zijn vooral curieus en zijn toneelteksten ook. Zijn beschouwingen, over dans bijvoorbeeld, of over het motief van de kleine tamboer, zijn onderhoudend, maar niet erg diepgravend of enorm origineel, met ook hier weer een neiging tot gespring van de hak op de tak. Die neiging is wel heel sterk in de vijf afgedrukte radiopraatjes. ‘Maar nu weer ter zake.’ ‘Maar nu wordt het tijd voor muziek.’ Aardig om naar te luisteren, zo tussen de plaatjes door, maar niet om te lezen.

Het meest bijzondere aan deze bloemlezing is dan toch de poëzie. Er zitten heel vroege en heel late gedichten bij (uit de jaren veertig, maar ook van na 2000), maar vooral heel veel uit de dertig jaar waarin Lehmann niet publiceerde als dichter (1966-1996). Ook hiervoor geldt wat voor de rest van zijn oeuvre geldt: springerig, van alles door elkaar. Ik zie korte notities: ‘Reis ik per trein, dan gaat mijn oog voorbij / steeds minder koeien en steeds minder wei.’ Ik zie sonnetten. Ik zie enkele verzen in onzintaal. ‘U vrompt mij geneeft en U labbelt mij zader, / maar waarom zo luttel gebronkt?’ Ik zie kritische notities bij de tijdgeest. Er zijn sombere bespiegelingen over de teloorgang van oude steden en van het landschap. Maar ook kwinkslagen in kwatrijnvorm. En studentikoze invallen: ‘ ’t Lijkt mij bijzonder aangenaam / te zijn mijn eigen erfgenaam.’ En herinneringen, op praattoon, zonder rijm: ‘Ik heb nog in de paardentram gezeten / die reed van Rotterdam naar Overschie’, en dan zo verder, over vroeger. Meer dan eens komt dan ook de herinnering aan zijn ongelukkige jeugd en het slechte huwelijk van zijn ouders bovendrijven.

Er valt weinig overkoepelends over deze gedichten te zeggen, behalve dan dat ze zelden uit een lyrische opwelling voortkomen. Ze zijn vrijwel altijd een reactie – op een gebeurtenis of een inval. Naar de geest is Lehmanns poëzie gelegenheidspoëzie. Het lezen van zijn gedichten lijkt dan ook meer op het lezen van de stukjes van een columnist. Geestig, scherp, met een mooi terloops aforisme soms, maar ook wel wat buitenkantig en willekeurig en vrijblijvend allemaal.

Ráákt Lehmann mij wel eens? Dan toch alleen als zijn diepere gevoelens aan de oppervlakte komen. Het grote verdriet om een liefde die toch onmogelijk bleek: ‘en geen kon geven wat de ander vroeg.’ Of het gevoel van onveiligheid als kind, dat zich nergens geborgen weet: ‘en ik ben weerloos, hopeloos alleen.’ Het zijn maar een paar intieme momenten, te midden van veel buitenkant. Ik moet er wel vaak om lachen, om die buitenkant. Hoe verplaatst een groep bizons zich? De meeste mensen weten het niet. L. Th. Lehmann heeft het zelf gezien: ‘De hoofdbizon drukte op de claxon, / en de hele kudde denderde voorbij.’