De woordloze, klokkende spraak

Voor de doden was het afgelopen, voor de overlevenden nog lang niet. Niet sneuvelen betekende voor de soldaten uit de Eerste Wereldoorlog even goed de hel.

Een Rode Kruiswagen in de modder bij de Somme. Foto ‘The British Century’, Weidenfeld & Nicolson, 1997 slagveld in de eerste wereldoorlog Weidenfeld & Nicolson,

William March: Compagnie K. Uit het Engels vertaald door Harry Oltheten. Dulce et Decorum, 160 blz. € 18,50

Paul Alverdes: Het fluitersvertrek. Vertaald uit het Duits door Corine van den Broek. Dulce et Decorum, 100 blz. €13,90

Dalton Trumbo: Stiltewoorden. Uit het Engels vertaald door Fons Oltheten. Dulce et Decorum, 200 blz. € 19,90

Erich Maria Remarques ontluisterende Im Westen nichts Neues was bijna idyllisch vergeleken bij dit boek. Dat schreven Amerikaanse recensenten waarderend bij het verschijnen van William March’ Eerste Wereldoorlogroman Compagnie K in 1933. Toch geldt Remarques boek nog altijd als een van de grootste Eerste Wereldoorlogromans, terwijl het werk van March vergeten is. Ten onrechte, want March schreef een indringend, caleidoscopisch oorlogsrelaas: een veelkleurig spiegelpaleis van oorlogservaringen, waarin niets is wat het lijkt, en ‘goed’ of ‘kwaad’ niet bestaat.

Vergeleken met een aantal wel klassiek geworden WO I-romans blijkt Compagnie K zelfs krachtiger, veelzeggender en universeler te zijn gebleven. Het is pas in een nieuwe vertaling verschenen bij de uitgeverij Dulce et Decorum, die deze en soortgelijke vergeten klassiekers opnieuw onder de aandacht tracht te brengen.

In zijn roman schetst March – die in 1917 en 1918 met zijn Amerikaanse legereenheid meevocht aan het Franse front – door middel van 113 korte hoofdstukken de noodlottige geschiedenis van Compagnie K. De kapitein, de vier luitenants, de zeven korporaals, acht sergeanten en 93 soldaten van de compagnie geven ieder hun eigen impressies van de oorlog.

Niet iedere protagonist is hier een aardige, onschuldige jongen, gegijzeld door het geweld, zoals het cliché over deze oorlog wil. Er zitten sadisten tussen, laffe meelopers, wantrouwige idioten, cynici, dieven en moordenaars. Dat maakt Compagnie K gevarieerd en geloofwaardig. Hun verhalen zijn door March op intelligente wijze met elkaar verweven, waardoor de lezer stap voor stap de rampzalige reeks gebeurtenissen kan reconstrueren.

Zo is er een dramatisch voorval waarbij luitenant Thomas Jewett door zijn eigen ijdelheid een groepje ondergeschikten de dood injaagt. Op de onheilsplek treft hij dit aan: ‘Het eerste wat ik zag toen ik de bomen bereikte waren de lichamen van Alden, Geers en Caroll die tegen elkaar aan waren gekropen. Hun gezichten bestonden niet meer en hun schedels waren gekraakt. Over een omgevallen boom lag sergeant Prado, opengereten van buik tot kin. Leslie Jourdan stond nog overeind. Hij keek naar zijn hand waarvan de vingers waren weggeschoten.’

Granaat

Eerder hebben we al gelezen dat sergeant Prado zich tegen de domme actie verzette, maar vanuit de militaire hiërarchie niets anders kon doen dan het bevel opvolgen. Bij Caroll lezen we hoe hij, Alden en Geers bij elkaar dekking zoeken onder vuur. Alden is geraakt en probeert nog wat te zeggen, Geers kruipt dicht naar hem toe om hem nog te verstaan. Dan valt er een granaat tussen hen in. Leslie Jourdan overleeft de oorlog en komt later nog eens aan het woord, als een oude kennis hem vraagt of hij nog wel eens piano speelt.

De zorgvuldig uitgestrooide brokjes informatie leiden naar een uitgestelde climax. Dat gebeurt ook in de sleutelpassage waarin een handvol soldaten van kapitein Matlock de opdracht krijgt 22 Duitse krijgsgevangen te doden. Dit voorval laat enkelen van hen koud, maakt sommigen gek, anderen ziek, woedend of wanhopig, maar zal hen allemaal, zo blijkt aan het slot, de rest van hun leven achtervolgen. Ook als ze niet sneuvelen, kan het slecht aflopen met jongens die een oorlog worden ingestuurd.

Waar Compagnie K inktzwart eindigt, biedt Paul Alverdes fraaie Die Pfeifferstube juist hoop. Het was meteen na verschijnen in Duitsland in 1929 een succes, maar met uitzondering van een door Chrisje Brants vertaald fragment in de bundel Een plasje bloed in het zand (1995) is het nooit in het Nederlands verschenen. Onbegrijpelijk, want zelfs in de wat stroeve vertaling van Corine van den Broek maakt het in al zijn broze eenvoud een verpletterende indruk.

De titel, hier vertaald als Het fluitersvertrek, verwijst naar het zaaltje in een militair hospitaal waar drie patiënten liggen die gewond zijn geraakt aan hun luchtwegen. Omdat littekenweefsel de luchttoevoer bemoeilijkt, ademen ze door een zilveren buisje dat via de hals rechtstreeks de luchtpijp is ingebracht. ‘Als ze snel ademden of lachten klonk er een zachte fluittoon uit de zilveren mond, die leek op het gepiep van een muis.’

Praten is door hun verwondingen een pijnlijke opgave geworden. Maar met lippen, tong en tanden voeren ze gedrieën lange conversaties in een ‘woordloze, soort klokkende spraak’. Net als bij Marc Dugains La chambre des officiers biedt dit isolement een mooi uitgangspunt voor een overzichtelijk, klein, menselijk verhaal dat tegelijkertijd veelomvattend is.

Het slagveld is er ver weg, en meer dan een verhaal over oorlog is dit dan ook een verhaal over vriendschap. Vriendschap tussen mannen die, hoe verschillend ook, door omstandigheden één zijn. De drie – Duitse – fluiters moeten een Britse krijgsgevangene met dezelfde verwondingen dulden op hun zaal. Eerst willen ze niet bij hem aan tafel zitten, en weigeren ze het voedsel dat hij aanbiedt. Maar doordat hij nu eenmaal fysiek een van hen is geworden, wordt hij uiteindelijk als vanzelf toch deelgenoot in hun taal, ritme en rituelen. Vast staat dat ze weldra van vriend weer vijand moeten worden, maar Die Pfeifferstube verkondigt desondanks een hoopvolle, humane boodschap.

Overdonderend

Dalton Trumbo’s Johnny Got His Gun heeft een volstrekt andere boodschap. Deze hallucinatoire roman uit 1939 is overdonderend. Het is veruit de hardste literaire vertaling van de Eerste Wereldoorlog; zonder enig erbarmen, zonder hoop – een gesel voor de lezer. Scenarioschrijver Trumbo (Roman Holiday, Spartacus) schiep met zijn hoofdpersoon Joe Bonham het extreemste oorlogsslachtoffer denkbaar – de belichaming van de vernietiging. Als gevolg van een granaatinslag is hij doof, stom, blind en mist hij beide armen en benen. In één koortsige woordenstroom (vrijwel zonder interpunctie) leren we Bonham kennen terwijl hij machteloos, opgesloten in zichzelf, in een ziekenhuisbed ligt. We lezen zijn herinneringen en ideeën, zijn twijfels en verlangens. Door te denken voorkomt hij dat hij gek wordt.

Gaandeweg krijgt Bonham vat op de tijd en kan hij de zusters die hem verzorgen onderscheiden. Uiteindelijk verzint hij zelfs een manier om met hen in contact te komen, een adembenemend hoogtepunt, met een ontluisterend gevolg.

Hoe onvoorstelbaar het personage Bonham ook is, uit de voortreffelijke studie Zacht en eervol, lijden en sterven tijdens een Groote Oorlog van medisch historicus Leo van Bergen bleek al dat WO I dergelijke slachtoffers maakte. Maar Bonham moet vooral worden gezien als metafoor. Hij is de ultieme consequentie van de oorlog, een man die dood had moeten zijn, netjes weggewerkt op een ‘veld van eer’, maar die leeft: die denkt, droomt en wenst. In zijn aanwezigheid en zijn wanhopige pogingen tot communicatie is hij een blijvende herinnering aan het oorlogsleed.

    • Herien Wensink