De ‘tragedy of errors’ van vader en zoon Bush

Jacob Weisberg:The Bush Tragedy. Random House, 2008. 271 blz. € 21,– Vertaald door F. van Delft als: De Bush Tragedie. Een klassiek familiedrama van vader en zoon, broer en broer. Balans, 315 blz. €18,–

Journalist Jacob Weisberg gaat in zijn geslaagde, maar speculatieve boek The Bush Tragedy uit van de stelling dat de 43ste president van de Verenigde Staten, die dezer dagen Europa bezoekt, in één essentieel opzicht verschilt van zijn directe voorgangers: hij had geen vastomlijnd wereldbeeld toen hij werd gekozen.

Voor zijn veertigste besteedde hij volgens Weisberg geen serieuze aandacht aan de binnenlandse politiek. Voor zijn vijftigste was hij niet geïnteresseerd in de buitenlandse politiek. Voor een beter begrip van Bush is het volgens de auteur daarom ‘onvermijdelijk’ de mensen in zijn naaste omgeving te bestuderen.

Weisberg is niet de eerste schrijver die George Bush vergelijkt met en afzet tegen zijn vader. Hij is wel origineel in de methode die hij toepast: close reading van ‘bekende en soms zeer bekende’ citaten van Bush, diens familie en medewerkers én enkele toneelstukken van Shakespeare, vooral Henry IV en V. Shakespeare, aldus Weisberg, ‘nodigt uit om dieper te kijken en minder te oordelen’.

In de eerste fase van zijn leven probeerde Bush zijn vader, die hij immens bewonderde, in alles te imiteren; een tot mislukken gedoemde onderneming, omdat hij minder talenten had. In de tweede fase hield de bewondering van de zoon voor zijn vader weliswaar stand, maar zag hij ook scherp de beperkingen van diens aarzelende karakter en slappe leiderschapstijl. In de derde fase had hij onverwacht succes door zich van zijn vader los te weken en zich met een alternatieve familie te omringen. Deze vond hij eerst in een dominee die hem op het rechte pad hielp en later, als gouverneur en president, in politieke adviseurs.

Met deze adviseurs onderhield Bush een complexe relatie. Hij eiste dat zij hem als een krachtdadige leider respecteerden, als The Decider. Hij eiste ook dat zij zijn anti-intellectualisme voedden met hun eigen vooroordelen tegen de zogenoemde Oostkust-elite. In overig opzicht gaf hij hun een ongeëvenaarde vrijheid in de verwezenlijking van hun eigen dromen. In twee messcherpe hoofdstukken analyseert Weisberg hoe adviseur en strateeg Karl Rove (als surrogaat broer) en vicepresident Dick Cheney (als alternatieve vader) met hun eigen pet projects aan de haal gingen.

Rove heerste over de binnenlandse politiek. Hij wilde voor de komende generatie een ‘permanente’ Republikeinse meerderheid creëren, bestaande uit zakenlieden en gelovigen. Hij was een originele denker die brak met het aloude adagium dat de kiezers in het midden moesten worden gepaaid. In 2002 en 2004 won hij de verkiezingen door de oorlog tegen het terrorisme schaamteloos te manipuleren voor Republikeinse doeleinden.

Cheney wilde vooral de macht van het presidentschap als instituut vergroten of, in zijn zienswijze, in oude glorie herstellen. De aartspessimistische vicepresident zag de terreuraanslagen van 9/11 als een levensbedreigende aanval op de Verenigde Staten. Nieuwe aanvallen zouden ongetwijfeld volgen. Alleen de president had volgens Cheney de daadkracht en de energie om deze te pareren.

De oorlog in Irak vloeide volgens Weisberg voort uit Cheneys overtuiging dat Saddam Hoessein daadwerkelijk contacten had met een wereldwijd netwerk van terroristen en van plan was Amerika met biologische wapens van de kaart te vegen. De raadselachtige en onopgeloste aanslagen met miltvuurpoeder op enkele locaties in de herfst van 2002 waren hiervan in diens optiek een voorproefje. Ze deden bij Cheney de stoppen doorslaan. Zonder deze aanslagen, schrijft Weisberg, ‘zou Bush waarschijnlijk geen inval hebben gepleegd in Irak’.

Dit is een boude bewering, waarvoor Weisberg weinig bewijs aanvoert: hij beroept zich op een anonieme naaste medewerker van de president en een epidemioloog die met Cheney optrok. Maar zij doet niets af aan de centrale stelling van het boek: Rove en Cheney misbruikten de oorlog tegen het terrorisme voor hun eigen doeleinden. Ze kenden Bush’ achilleshiel: diens verzengende ambitie om als president van grote ideeën en daadkrachtige beslissingen de geschiedenis in te gaan, het tegendeel van zijn vader. Bush had volgens Weisberg nooit president mogen worden. Dat hij het toch werd, is een politiek drama dat Shakespeare zou hebben geïnspireerd.

Zie ook Menno de Galans Tien Beste Bushboeken via nrcboeken.nl