De overheid jaagt zelf het verval aan

Lieve Hafid,

De ontevredenheid maakt dat veel mensen het op een vreten zetten, jij vreet tenminste jezelf op. Eet vooral smakelijk. Maar vreten uit woede is iets anders dan uit ontevredenheid.

Woedend over het kuddegedrag van de Hollander, over de greep naar de macht die de gelovigen – mijter, keppeltje, kaftan – aan het plegen zijn, wie me kent weet hoezeer ik dit navoel. Ons geweeklaag lijkt sprekend op dat van de ontevredenen. Toch klinkt het anders, toch zeurt het anders.

Altijd is er wel iets dat de euforie verstoort. Hoe komt het toch dat we kwaad worden over bijna alles wat zich aandient? Daar duikt een minister op met een oplossing die niets oplost. Hier heb je weer een tv-programma waarvan je tanden, haren en nagels tegelijk uit je lijf springen. Hoe komt het toch dat we louter ergerniswekkende dingen waarnemen op straat en in elke ruimte waar mensen samenscholen? We kunnen niet over identiteit en immigratie spreken en dan ijskoud beweren dat er hoop bestaat. We kunnen niet naar de wereldpolitiek kijken en dan doodleuk concluderen dat het zo’n vaart niet loopt.

Naar de bliksem wordt alles geholpen, dat staat vast. Er is geen politicus die deugt. De wereldverbeteraars en de socialisten hebben hun zin gekregen. Het wachten is alleen nog op de bekroning van hun werk.

Hoe komt het toch dat er zoveel te verzuchten valt, zoveel meer dan ooit, en dat er nauwelijks verschil meer lijkt tussen de beroepsklagers en de nuchtere vogels?

Met tussenpozen vreet ook ik me op, terwijl ik geen cultuurpessimist ben, geen zwartkijker, geen laudator temporis acti, ik geloof zelfs niet dat ik een kritisch tiep genoemd kan worden. Ik verdraag veel. Ik durf je zelfs te bekennen, als je het niet verder vertelt, dat ik nogal vergevingsgezind en verzoenerig van aard ben. Meestentijds voel ik me net zo verachtelijk als mijn vijanden.

Wat zou ik graag willen zeggen: dat is een schitterend teken. Wat had ik het graag over een fijne politicus, die z’n oerfijne maatregel neemt. Ik zou het talent willen bewonderen en de vermaarde lieden prijzen.

Maar bewonderen en prijzen staan laag genoteerd.

Ik lijk meneer de hoofdminister wel, ons balkende zonnetje in huis. Met dit verschil dat hij en zijn collega’s de ramp zelf zijn. Het past politici niet zich te beklagen over verloedering en verval. Het is de overheid zelf die hier de aanjager van is geweest. Ambtenaren werd toegestaan zich ‘pluk-ze-teams’ te noemen, daarmee hun onderdanen officieel tot pluimvee en prooi bestempelend. Er werden anonieme kliklijnen ingesteld, en zie: het verradersinstinct was gelegitimeerd. Geen ethische grens of de overheid doorbrak die als eerste.

Daar gaan we weer. Woede. Maar het is geen pessimisme, geen cynisme, geen sarcasme – ik hoef alleen maar te beschrijven, helder en klaar, wat er gebeurt en wat ik zie. Ik interpreteer niet, ik doe niet aan een ideologie, ik kijk naar de realiteit. We beschrijven en klinken automatisch boos, dat is het hele eieren eten.

Hier en daar stoot een stekeblinde nog op iets positiefs.

Tot snel, Hafid. Ik ga nu speciaal op zoek naar een bloeiend margrietje op een sappig weitje, waarvan je vast achter Appelscha nog wel een fragment aantreft, om dat te gaan bejubelen. Zoet margrietje. Teer margrietje. Je kinderloze, maar botanische vriend

Gerrit