De mens is een angstig en behoudend dier

Waarde Gerrit,

De woede van de vorige brief is intussen al bekoeld – niet helemaal bekoeld, natuurlijk, maar voor eventjes bedaard. Zij likt even de klauwen af, bijt op onzichtbaar vlees, inspecteert met de tong de scherpte van de snijtanden en de bekranden op bloed (is, etymologisch gesproken, in sarcasme veranderd). Wat zou ik moeten zonder deze, mijn dierbare ‘wilddier’? - Je brief was daar ook verantwoordelijk voor: ik heb weer moeten lachen, schaterend, niet ingehouden smuilend (‘Ik maak het in het voorbijgaan onvermijdelijk uitstekend’ en ‘En verstandige mensen [heten] soms Gerrit.’).

Inderdaad: ik wil nergens bijhoren, noch heb ik de behoefte gehad gelijkgestemden te zoeken, want die zijn er wat mij betreft niet. Stel je voor! Ik gruw ervan in een collectief bad weg te zakken om ontspanning en herkenning te vinden: één haartje van een medebader of ik vlieg de lucht in en zoef naar mijn handdoek. Dit is slecht voor de mentale hygiëne.

Nederland was het land van het individualisme, heb ik mijzelf, onnozel genoeg, altijd voorgehouden; zijn hemel bleek echter, volgens anderen, niet voor mijn vleugels bestemd, niet dat ik mij hieraan iets gelegen heb gelaten, anders had ik moeten zweven tussen twee vluchten in; zaak was om in hogere sferen te fladderen, verdwaald in een diaspora. Als immigratie mij iets heeft geleerd dan wel dat mensen niet het lopendebandproduct zijn of hoeven te zijn van een fabriek genaamd ‘cultuur’. Veel mensen boezemt dit angst in, want het wankelen van vooronderstellingen doet natuurlijk ook de eigen identiteit wankelen.

Ik ben een onverbeterlijke individualist. Hoera en hoezee.

Nog even dit euforische delirium laten voortduren: vandaag is mijn jongste zoon vier jaar geworden, zijn bacchisch omkrulde hoofd is licht van de aandacht, zijn vrolijk materialisme stemt mij gelukkig, want hij kan zo vaak hij wil vier vingers opsteken – de rekenkunde zegt hem niets, het is het feest van geschenken en plakkerige zoetigheid en aandacht dat hem bekoort. (Gelukkig is verwend gedrag hem vreemd – je kent dat wel, het heupwiegend en stemvervormend en tenenkrommend gedrag van koters die in het middelpunt van de belangstelling staan, dit omdat de ouders hun geen beperkingen hebben opgelegd – míjn toegeeflijkheid kent grenzen.)

En wat verstoort mijn euforie? Een blik in de krant. Uitbreiding van embryoselectie tegengehouden door een groep van gelovigen die voor god spreken, door zelf te spreken. De gelovigen regeren ons, al hebben ze maar vier procent van het electoraat. Ze zeggen het leven te beschermen – laat me niet lachen of ontploffen

De mens is een angstig en in essentie behoudend dier. Wat is er mis met de mens zelf te laten ingrijpen in de embryonale mens? Het ingebakken geloof dat we de ‘natuur’ (in dit geval een ‘goddelijk iets’) niet moeten verstoren, angst voor ‘een hellend vlak’ (wat dat ook moge zijn) – gelooft de mens dan niet in zichzelf? Als een moeder weet dat haar kind een fataal gebrek zal hebben, is niet de keuze aan haar om het al dan niet te baren? De mens is het middelpunt. En als de mens zich door keuzevrijheid naar de verdoemenis helpt, des te beter: liever verdoemenis uit eigen keuze, dan pijn en ellende in naam van een nonentiteit, god genaamd, die orakelt uit bekrompen mensen. Nederland individueel?...

Ik vreet mij verder op,

Hafid