‘Chinees’ groeifeest in Estland over

Ze groeiden met Chinese cijfers. Maar voor de Baltische staten is het feest voorbij. De Estse economie stokt zelfs. Voor hun beschermers Finland en Zweden een grote zorg.

Een groepje mannen betreedt een duur restaurant in Tallinn, de Estse hoofdstad. Pasi Harttunen kijkt op van zijn bierglas. „Daar gebeurt wat”, zegt de zakenman, met samengeknepen ogen. „Een crisisberaad, als je het mij vraagt. Al die jongens daar zitten in vastgoed, maar de laatste tijd vooral op de blaren.”

Even later komt een Indische ondernemer binnen, met een Estse schone aan de arm. „Die zit in de textiel”, fluistert Harttunen. „Ook geen al te beste investering op dit moment, maar hij kan tenminste altijd naar China of terug naar zijn eigen land. Dat kunnen die vastgoedjongens niet.”

Het is aan de Oostzee hét gespreksonderwerp: de crisis. De één voorspelt een bloedbad, de ander een storm die snel overwaait. Sommigen vinden het nu al crisis, anderen denken dat de pijn nog moet komen. Maar dat de Chinese groeicijfers niet meer zullen terugkeren in Estland, Letland en Litouwen, daarover is iedereen het wel eens.

Vooral Estland maakt op dit moment een harde landing. Jarenlang groeide de economie van het land met meer dan 10 procent, tot vorig jaar, Estland was de tijger van het noorden, met een vlaktaks waar buitenlandse investeerders als vliegen op afkwamen. Maar in het eerste kwartaal van dit jaar kwam de economie gierend tot stilstand, met een groei van 0,4 procent. De klap in Letland en Litouwen was zachter, met 3,6 en 6,4 procent, maar volgens economen zijn ook die landen hard op weg naar nulgroei.

Dat is niet alleen slecht nieuws voor de Baltische staten, maar ook voor Finland en Zweden, die het wonder aan de Oostzee jarenlang hebben gefinancierd en er volop van profiteren. Finland is de grootste handelspartner van Estland, een land waarmee Finland veel culturele verwantschap voelt. De Finnen bezitten hier de grootste fabrieken, vooral op het gebied van houtverwerking, voedsel en elektronica. Zweden controleert met SEB en Hansapank, de twee belangrijkste banken in de regio, de financiële markten.

„De banken maken nog steeds veel winst, maar ze hebben ook veel geld uitgeleend”, zegt Harttunen, een Finse headhunter, die al zeven jaar in Tallinn op talent jaagt, en voorzitter is van een Fins-Estse kamer van koophandel. „Als de middenklasse hier in de problemen raakt met het afbetalen van hypotheken, zullen de banken eindeloos veel geduld moeten tonen, want het in beslag nemen van huizen is een doodlopende weg. Op dit moment wil iedereen verkopen, niet kopen.”

„Finland groeit altijd net iets harder dan landen in het westen van de Europese Unie”, zegt de econoom Hannu Hernesniemi, werkzaam op onderzoeksinstituut in Helsinki. „Dat extra procentpuntje hebben we te danken aan booming Rusland, maar ook aan de Baltische staten. We mogen ons dus best zorgen maken.”

[Vervolg ESTLAND: pagina 16]

ESTLAND

Het Estse succesverhaal wekte in Europa jaloezie

[Vervolg van pagina 15] Maar de verstrengeling heeft ook een voordeel: Finland zal de regio niet zomaar laten vallen. Als het in de Baltische staten economisch misgaat, zal er in Brussel hard gelobbyd worden door Helsinki, zegt de econoom Hernesniemi.

Dat het slechter gaat is in Tallinn nog niet te zien. „Ik zie nog steeds blije gezichten”, zegt Erki Kert, analist van investeringsbank LHV. Maar het is wel te horen: in de eindeloze symfonie van hamers, graafmachines en betonmolens die altijd bij de stad hoorde, klinken nu lange, akelige stiltes, alsof de dirigent zijn stokje kwijt is. In de vastgoedmarkt, samen met de binnenlandse consumptie de motor van de Estse economie, is het al crisis.

De prijzen zijn fors gedaald, vooral in de suburbs rondom Tallinn, waar de bouwdrift het hevigst was. „Er zijn zelfs huizen neergezet in moeilijk bereikbare gebieden”, zegt Annika Paabut, analist van Hansapank. „Investeerders dachten makkelijk geld te kunnen verdienen.” Maar de banken zijn, mede door de Amerikaanse kredietcrisis, bang geworden. Wie nu wil kopen moet tegenwoordig tussen de 20 en 50 procent eigen kapitaal meebrengen. Ondoenlijk.

De particuliere consumptie loopt terug door een gierende inflatie, in Letland 17,5 procent op jaarbasis, verder aangewakkerd door de wereldwijd stijgende olie- en voedselprijzen. Litouwse autoverkopers rukken zich de haren uit het hoofd. In Letland puilen de parkeerplaatsen van grote geldschieters, zoals GE Money Bank, uit met in beslag genomen voertuigen. Concertorganisatoren in Estland klagen over tegenvallende inkomsten.

Volgens Hernesniemi moeten de Baltische landen snel een nieuwe motor vinden. Hij denkt vooral aan de export van specialistische producten. Minder fabrieken, meer kenniseconomie. „De situatie doet denken aan Finland in de jaren negentig. De Sovjet-Unie stortte in en wij verloren een belangrijke markt. We kwamen uit de crisis dankzij mobiele telefoons, dankzij Nokia. Toen we daar weer marktaandeel verloren, zijn we sterk geworden in energietechnologie, windmolens.”

Vooral voor Letland zal zo’n omslag niet makkelijk zijn: het land heeft een zwakke exportmarkt, die zwaar leunt op hout. Bovendien hebben de Letten geen Finse grote broer. Maar ook voor Estland wordt het niet makkelijk. „Estse managers zijn erg gewend geraakt aan goede tijden”, zegt Harttunen. „Het is maar de vraag of ze slechte tijden ook aankunnen.”

Paabut van Hansapank twijfelt niet aan de veerkracht van Estland. „In 1998 werd het hard getroffen door de roebelcrisis. Estse ondernemers hebben toen grote flexibiliteit aan de dag gelegd en hun aandacht naar de Europese Unie verlegd. Zoiets zal nu weer gebeuren. Veel bedrijven produceren nu alleen nog voor de binnenlandse markt, maar zullen zich alsnog op de export gaan richten.”

Ook de altijd optimistische Estse premier Andrus Ansip wil niets horen over doemscenario’s. Hij ziet de groeivertraging als een normale correctie op de ongebreidelde groei. De werkloosheid in Estland is op dit moment historisch laag, ongeveer 4 procent, en zolang dat zo blijft komt er niemand in moeilijkheden. „Wanneer mensen werk hebben, kun je niet van enige crisis spreken”, zei hij onlangs.

De Fin Heikki Maki is daar niet zo zeker van. „Van 10 procent naar nulgroei, dat is geen simpele correctie, maar een ernstige zaak”, zegt de directeur van Elcoteq, de Estse vestiging van het Finse elektronicabedrijf. „Het zou heel goed kunnen dat de Estse economie dit jaar gewoon krimpt.”

In alle Estse cafés geldt tegenwoordig een rookverbod, maar in de exclusieve club waar Maki vanavond heeft afgesproken met Finse vrienden hangt een zware sigarenmist, waaruit de fauteuils opdoemen als schimmen. Uit de boxen klinkt trendy muziek. Wie geen elektronisch toegangspasje heeft tot dit elitenest is niet welkom of te gast. Hier wordt de toekomst van Estland besproken en, soms ook, besloten.

Maki wordt door sommigen ook wel de schaduwpremier van Estland genoemd. Zijn bedrijf, een belangrijke toeleverancier van telecombedrijven zoals Nokia en Ericsson, is goed voor 10 procent van de Estse export. Als Elcoteq zich roert, kun je dat in heel Estland voelen. En Elcoteq roert zich: vorige maand maakte het bekend 10 procent van zijn personeel naar huis te sturen, deels door gedwongen vakantie (en minder salaris), deels door ontslag.

De directeur wijt de personeelsreductie aan de eveneens ongebreidelde stijging van salarissen, soms wel met meer dan 20 procent per kwartaal. De snelle economische groei heeft in combinatie met arbeidsmigratie naar het Westen en Scandinavische landen voor schaarste op de arbeidsmarkt gezorgd. Maki: „Wij zijn ook meer gaan betalen, anders hou je geen werknemers meer over, maar het was gewoon niet meer vol te houden.”

Elcoteq heeft het afgelopen jaar voortdurend getracht de efficiëntie te verbeteren. Productielijnen op de fabrieksvloer zijn beter op elkaar afgestemd, zodat er minder gelopen hoeft te worden. De kwaliteit van producten is sterk verbeterd, waardoor de doorgaans arbeidsintensieve kwaliteitscontrole kon worden verminderd. „Maar omdat de salarissen zo snel stijgen, niet alleen bij ons, maar ook bij onze toeleveranciers, zien we daar veel te weinig van terug”, zegt Maki.

Mensen wegsturen – alleen dat kon de winstmarges nog redden. Premier Ansip, zegt Maki, kan maar beter luisteren.

Met groot geronk scheurt de snelle veerboot naar Helsinki de kalme Oostzee over, voor een tochtje van anderhalf uur. In de businessclass doen zakenmannen zich te goed aan zalm, gebakken aardappels en bier. In de tweede klasse slapen Finse alcoholtoeristen hun roes uit, met naast zich dozen vol goedkope wodka, veelal op karretjes geladen, voor een volgend drinkgelag. Martin-Éric Racine drinkt een kopje koffie.

De Canadees woont al tien jaar in Finland, maar werkt in Estland, voor een bedrijf dat minicomputers bouwt. Zo’n twee keer per week neemt hij de boot. Hij is hier een bekende, de serveersters knipogen naar hem en de matrozen groeten hem. Hij is lyrisch over Estland, een land waar je op de parkeerplaats of in de bus kunt betalen met de mobiele telefoon. Een land waar de regering papier heeft vervangen door laptops. Een land dat nieuwe technologie ademt.

Een miskend land ook. „Estland”, zegt hij, „is binnen de Europese Unie een ongekend succesverhaal en dat is meteen ook het probleem: het is menigeen een doorn in het oog. De Esten hebben laten zien dat ze met een kleine bureaucratie en lage belastingen prima uit de voeten kunnen. Daarmee hebben ze de zwakte van het Westen, met zijn byzantijnse papiermolen, pijnlijk blootgelegd.”

Dat de Baltische staten vorig jaar door de hoge inflatie geen groen licht kregen voor toetreding tot de eurozone, vindt de Canadees schandalig. „Waar hebben we het over? Dit zijn kleine landen, die monetair geen gewicht in de schaal leggen. Niemand zou het gemerkt hebben als hier de euro was ingevoerd, terwijl het voor Estland een belangrijke handelsimpuls had kunnen zijn. Ik heb er maar één verklaring voor: de Esten zijn gestraft voor hun succes, voor hun dynamiek.”