Babysterfte allochtonen verklaard

De hogere babysterfte in Turkse en Marokkaanse families in Nederland is deels te verklaren door bloedverwantschap tussen de moeder en de vader. Dat blijkt uit onderzoek van het Rotterdamse Erasmus MC.

Baby’s van Surinaamse en Antilliaanse moeders overlijden vaker in het eerste jaar na de geboorte doordat ze lichter zijn en vroeger geboren worden, blijkt uit onderzoek waarop de arts Ernst-Jan Troe over twee weken promoveert.

Daarmee is er voor het eerst wetenschappelijk inzicht in de oorzaken van hoge babysterfte onder de diverse bevolkingsgroepen in Nederland. Hoogleraar maatschappelijke gezondheidszorg Johan Mackenbach van het Erasmus MC: „Dat is belangrijk, want dan moet je niet aankomen met een eenheidsbehandeling.” Troe gebruikte cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek en uit een onderzoek onder bijna tienduizend Rotterdamse kinderen en ouders.

In 2003 bleek dat in Nederland anderhalf keer zoveel baby’s in de maand na de geboorte sterven als in de best scorende Europese landen. De sterfte onder allochtonen in Nederland is daarbij anderhalf keer zo groot als die onder autochtonen. Bezien over het hele eerste levensjaar overlijden er van de duizend baby’s in allochtone gezinnen zes of zeven.

Turkse en Marokkaanse baby’s sterven relatief vaak later in het eerste levensjaar, en ook vaak aan aangeboren afwijkingen. Volgens het onderzoek is 5 tot 23 procent van de sterfte het gevolg van bloedverwantschap. Eén op de vijf paren in die etnische groepen was neef en nicht, of achterneef en -nicht. Turkse moeders, vooral die van de tweede generatie allochtonen, roken bovendien vaker tijdens de zwangerschap.

De sterfte van Antilliaanse en Surinaamse baby’s in Nederland hangt voor een belangrijk deel af van de lengte van de moeder en de vader.