Auto in een slip

Dichter Frank O’Hara schreef altijd snel, tussen twee happen hotdog door, en zonder zich te bekommeren om metrum, metafoor of rijm.

Frank O’Hara in 1950 Foto George Montgomery Montgomery, George

Elk jaar dat ik weer voor het eerst aan het strand kom – liefst op een moment dat er weinig of geen mensen zijn, ’s ochtends vroeg wanneer de lucht er zo sterk naar zout en ozon smaakt dat het is alsof de hele planeet net vijf minuten geleden door de zon en de zee is verwekt en elke voetstap die je langs de vloedlijn zet de eerste op aarde is, of tegen de avond, wanneer de zon een gouden loper over de golven uitrolt waarover je vanaf het afgeragde zand naar de horizon kunt rennen – elk jaar dat ik voor het eerst aan het strand kom denk ik: „Oké, vanaf nu ga ik alles anders doen”, en ik denk ook aan de Amerikaanse dichter Frank O’Hara.

Ik kwam hem voor het eerst tegen in een fotoboek van Fred McDarrah over de dichters en schrijvers van de Beat Generation, een boek dat ik in 1962 leende van de artistieke oudere zus van een schoolvriendje en dat ik nog steeds moet terugbrengen. Met zijn korte haar, scherp gesneden schedel, gebroken neus en nette pak met overhemd en stropdas zag hij er uit als een kruising tussen een lichtgewicht bokser en een zwaargewicht zakenman. Helemaal niet bohémien, maar clean, fit en jazzy, een beetje zoals in Nederland de mannen van de Nieuwe Stijl: Armando, Verhagen, Sleutelaar. Er stond bij dat O’Hara de meeste van zijn gedichten schreef tijdens de lunchpauze van zijn werk in het Museum of Modern Art in New York, eerst als kaartjesverkoper, later als een van de conservatoren. En ook dat was cool wat mij betreft.

Het was – jaren vijftig, begin zestig –

in New York de tijd dat de kunsten als kleine kinderen in het speelkwartier opgewonden door elkaar heen dansten, in een wervelwind van spontaan in het rond geblazen noten, woorden en kleuren, die al snel met elkaar fuseerden tot sterren, cirkels en bellen. Jazz was net als schilderen was net als dichten was net als ballet. Als een vloedgolf spoelde al die energie door de straatravijnen van Manhattan en je hoefde je neus maar buiten de deur te steken om er door te worden meegezogen. Het was de kunst om die stroom vast te leggen zonder hem stil te leggen.

Niet dat O’Hara daar geen heil in zag, om die altijd maar voortjakkerende tijd een halt toe te roepen en een moment van pure rust te creëren. Hij wilde niets liever, maar wist: „The only way to be quiet / is to be quick”. En snel was hij. Niet alleen schreef hij altijd tussen twee happen hotdog door en propte hij het resultaat daarna in zijn broekzak of in een overvolle la, hij nam ook niet de tijd om zich te bekommeren om metrum of metaforen, laat staan rijm. Alle formaliteiten konden wat hem betreft achterwege blijven, op dezelfde manier als je je ook niet om verkeersregels kunt bekreunen wanneer je auto op de snelweg in een slip is geraakt. Je trapt op de rem, op het gas, op de rem, je schakelt als een gek, schiet alle kanten op en hoopt er het beste van.

Sterker nog: juist middenin die hectiek zijn er momenten waarin de tijd tot bijna stilstand vertraagt, momenten waarin je door het zijraampje kijkt en opeens met onwaarschijnlijke scherpte een klaproos in de berm ziet bloeien of een vogel naar je ziet knipogen. Momenten waarin je volop geniet van je snelheid, terwijl je weet dat het elk moment afgelopen kan zijn.

Glanzende torso’s, lege colaflesjes, ondergoed, aspirine, vergeelde corsages, vertrektijden, wieldoppen, koffie met verzuurde melk – het stikt van de details in de gedichten van Frank O’Hara, zoals het er ook barst van de namen en toenamen, zowel van cafés en tijdschriften als van vrienden en bekenden en minnaars inclusief adres en telefoonnummer. Niet omdat hij verslaafd was aan de alledaagse werkelijkheid, maar omdat hij al die dingen en mensen die hij noemde niet zomaar aan hun lot wilde overlaten. Een kontje naar een iets hoger trapje van het zijn of bewustzijn, dat wilde hij ze geven. „It’s pretty hard to remember life’s marvelous / But there it is guttering choking then soaring / In the mirrored room of this consciousness”.

Op de ochtend van 24 juni 1966

ging Frank O’Hara op Fire Island – een eiland voor de kust bij New York – al vroeg naar het strand, en werd daar, terwijl hij lag te zonnen, overreden door een jeep van de strandwacht die afval aan het opruimen was. Een dag later overleed hij, veertig jaar oud.

‘Een Amerikaanse dood’, zo noemde Abram De Swaan het destijds in een gesproken brief op de radio, en dat was een waar woord. Niet alleen vanwege de ironie van die aan smetvrees grenzende Amerikaanse schoonmaakwoede waar De Swaan op doelde, maar ook vanwege het bijzondere karakter van de relatie tussen mens en auto in Amerika. Anders dan in de rest van de wereld heeft die een bijna mythisch karakter, als de directe voortzetting van die tussen man en paard, de twee-eenheid waarmee de geschiedenis van de cowboys en indianen van de Nieuwe Wereld begon. En wanneer de dood meerijdt kun je de vier wielen van een auto in benen met hoeven zien veranderen en hoor je gehinnik wanneer je op de claxon drukt.

Ik denk aan Frank O’Hara, vertrapt in het zand, maar ook aan countryzanger Hank Williams, klein en stijf op de achterbank van een poederblauwe Cadillac Coup De Ville, en aan James Dean, als een sardine ingeblikt in zijn eigen Porsche 550 Spyder. En ik denk aan Ed Kienholz, de Amerikaanse kunstenaar die zich, als in een van zijn eigen, vaak uit afval, wrakhout en blikschade opgetrokken tableaus, had laten begraven in zijn eigen klassieke Packard Coupé. In zijn ene broekzak was een dollar gestopt, in de andere een spel kaarten. Naast hem op de stoel stond een fles Chianti, de urn met de as van zijn hond Smash ging in de achterbak, en onder het gejank van een doedelzak werd de auto door zijn vrouw Nancy als een begrafenisprauw de aarde ingereden.

En dan is er, nog een stap verder in de lyriek van man, autopaard en dood, het lied Studebaker van de in 2003 overleden Californische zanger en songschrijver Warren Zevon. Een klein juweel dat zijn zoon Jordan aantrof op een cassette die verstopt was in een vluchtkoffer in de garage van zijn vader. In dat lied is het niet de man die het begeeft, maar de auto. En dat was al direct het geval, vanaf het moment dat de ik-figuur in ‘that misbegotten car’, waaraan hij zijn laatste centen heeft uitgegeven, wegvluchtte uit Monterey, omdat hij waar dan ook een betere toekomst hoopte te vinden dan eentje aan de lopende band van de plaatselijke visconservenfabriek. Vlak voor Fresno hield hij er al bijna mee op, en daarna nog een keer of twee, maar nu, ergens in de woestijn langs Route 99, voorgoed. Er kwam rook onder de motorkap vandaan. Toen had hij de Studebaker de berm in gereden en was daarbij de as gebroken. En iedereen die iets van paarden weet, weet dat dat het einde is.

‘It made a sound that cracked my heart in half’, zingt Zevon, terwijl zijn wrakke piano de pijn die dat moet doen hoorbaar maakt. Je ziet de Studebaker nog één keer zijn grote kop oprichten, om dan met gebroken koplampen definitief terug te zakken in de berm en de geest te geven.

Net als bij mensen is de ‘ghost in the machine’ een dier.

Onlangs verscheen: Frank O’Hara, Selected Poems, red. Mark Ford (Knopf, 2008). ‘Studebaker’ is te vinden op: Warren Zevon, Preludes: rare and unreleased recordings (New West, 2007).