Aan de droom van weelde ontstegen

Stilaan gaat de vaderlandse zakenelite op in de mondiale ‘superklasse’ van invloedrijken. Onvermijdelijk, schrijft David Rothkopf in ’n optimistisch boek.

Suske & Wiske: ‘De poenschepper’ Copyright 2008 Standaard Uitg. Antwerpen Willy Vandersteen Standaard Uitg. Antwerpen

Meindert Fennema en Eelke Heemskerk: Nieuwe netwerken. De elite en de ondergang van de nv Nederland. Bert Bakker, 144 blz. €15,–

David Rothkopf: De superklasse. Het onzichtbare netwerk van de wereldwijde machtselite. Balans, 474 blz. € 24,95

Nieuwe elite? Goed idee. Zou die een rem zetten op de tomeloos stijgende topbeloningen in het bedrijfsleven, op het kopieergedrag daarvan door managers bij woningcorporaties en zorginstellingen; en volgt een verbod op schaalvergroting? En wat doen we dan met de huidige zakenelite?

Die verdwijnt langzaam maar zeker vanzelf. Sinds de jaren negentig krijgen aandeelhouders bij beursgenoteerde bedrijven steeds meer invloed ‘terwijl de netwerken van de bestuurders en commissarissen steeds meer uit elkaar vielen’, schrijven Meindert Fennema en Eelke Heemskerk in Nieuwe netwerken. De elite en de ondergang van de nv Nederland.

Per saldo hebben de hoogtijdagen van de nationale elite maar vier decennia geduurd, blijkt uit hun boek. Pas in de jaren zestig verdwenen de regionale netwerken, en daarmee ook de posities van de old boys uit patriciaat en aristocratie. De professionele manager deed zijn intrede. Nu moet hij al weer inschikken. De afgelopen jaren zijn de buitenlandse bestuurders en commissarissen doorgedrongen tot de achterkamertjes van de economische macht. De gevolgen worden langzaam zichtbaar. Zo ondervinden buitenlandse overnames van ‘onze’ concerns (ABN Amro, Stork, Numico) geen of nauwelijks hindernissen. Als er al strijd ontstaat, gaat die niet om oranje- gevoel, maar om de prijs.

De auteurs sluiten aan bij de herontdekking van elites. Kritiek op de zakenelite komt nu van aandeelhouders, die zich verzetten tegen hoge beloningen van managers waar geen prestaties tegenover staan. Net als in de jaren zestig is polariseren ‘in’. Het succes van partijen met een ‘anti-elite’-karakter à la Fortuyn, Wilders en Verdonk is een teken aan de wand: kritiek op de elite is nu eerder volks dan links.

Dat was veertig jaar geleden wel anders. In 1968 voegde voorzitter Jan Mertens van de katholieke vakbond NKV een uitdrukking aan het Nederlands toe toen hij de zakenelite op de korrel nam. Economische macht is in handen van een kleine, geconcentreerde en nauw verweven groep: de Tweehonderd van Mertens. In 1975 publiceerden de politicologen Helmers, Mokken, Plijter en Stokman de onderbouwing daarvan in hun boek Graven naar Macht, dat het netwerk van beslissers uit adviescommissies, raden van bestuur en raden van commissarissen blootlegde.

Fennema en Heemskerk borduren hierop voort, maar de uitkomst stelt wel wat teleur: het blijft bij plaatjes met fraai lijnenspel. Dat wilde Mertens veertig jaar geleden ook al. ‘Om de namen van personen met elkaar te verbinden, trokken we lijnen met verschillende kleurpotloden’, schrijft hij in zijn memoires. ‘Daaruit ontstond de term lijnenspel. Maar we kwamen er niet uit, we hadden onvoldoende gegevens.’

Maar wat is de inhoud van de uitwisselingen op die lijnen? De meest concrete casus draait om stijgende topinkomens. Het hoofdstuk van Fennema en Heemskerk hierover mondt uit in twee verrassende conclusies: de oude old boys waren nog zo slecht niet, in de zin dat zij met sociale controle en eigen normbesef excessieve verrijking van managers verhinderden. En eigenlijk gaat het de topmanagers nu niet om het geld, maar om status.

Zou het echt? Is geld niet de reguliere drijfveer? En het is de vraag of het vroeger echt beter was. De beloning van commissarissen lag in de jaren zeventig in termen van koopkracht op het huidige niveau.

De auteurs blijken net als talloze commissarissen te behoren tot de school die denkt dat openheid over beloningen de bron van veel kwaad is. Dat is een twijfelachtige opvatting. De informatie over beloningen was op hoofdlijnen altijd al in kleine kring bekend: bij salarisadviseurs en onder commissarissen. Die informatievoorsprong was juist een kostbaar bezit voor commissarissen. Bedrijven zochten juist die commissarissen die wisten hoe de hazen liepen. Nu weet iedereen wat de topman van Philips of Shell verdient. Stijgen beloningen omdat iedereen de cijfers kent, of groeit de maatschappelijke desillusie omdat het nu openbaar is?

Het boek wordt overigens ontsierd door slordigheden, zoals verschrijvingen en onnauwkeurige citaten. Joop Wijn wordt als staatssecretaris geciteerd in de context van het bod op ABN Amro begin 2007, maar toen was hij geen staatssecretaris meer.

Tegenover de smalle definitie van de elite bij Fennema en Heemskerk, staat de brede opzet van De Superklasse, de vertaling van een boek van David Rothkopf, een ex- journalist, ex-uitgever, ex-plaatsvervangend onderminister in de regering Clinton en ex-adviseur, onder meer bij Kissinger Associates. Rothkopf heeft een hele grote tent opgezet, waarin hij de zakenelite welkom heet, maar ook superbeleggers, sportidolen en chefs van staven, schrijvers en denkers, spirituele leiders en terreurleiders. Hij telt er zo’n zesduizend, één per 1 miljoen wereldbewoners. Het onderscheidende kenmerk van zijn superklasse is de macht om voortdurend het leven van miljoenen of miljarden mensen te beïnvloeden, liefst over de grenzen heen.

Rothkopfs boek is drie keer zo dik als dat van Fennema en Heemskerk, maar de toon is opgeruimd en vrolijk. Waar Fennema en Heemskerk een heel hoofdstuk besteden aan Nederlandse topinkomens, is Rothkopf in een paar bladzijden klaar met de wereldtopinkomens. Hij somt verklaringen op (vriendjespolitiek bij commissarissen, fnuikende invloed beloningsadviseurs), en gaat over tot de orde van de dag.

Fennema en Heemskerk besluiten hun boek met ‘De ondergang van nv Nederland’, het laatste hoofdstuk van Rothkopf heet: ‘De toekomst van de Superklasse en wat die voor de rest van ons kan betekenen’. Dat laatste valt tegen. Rothkopf zit op de lijn: accepteer de elite, vier de dynamiek mee, wees blij dat de superklasse steeds meer uit de marktsector afkomstig is, zie de natiestaat aan macht verliezen en wee de cultuurschok voor ons als de nieuwe elite uit China en India doorstoot naar de top en zijn eigen normen en waarden meebrengt. Individu versus collectief. Vrijhandel versus protectionisme.

Rothkopf noemt geen namen van de 6000 in de superklasse. Maar op basis van zijn criteria (2000 grootste bedrijven, 100 rijkste financiële instellingen) moet Nederland het goed doen, met meer dan 16 namen. Met dank aan multinationals als ING, Philips en Shell en diverse pensioenbeheerders. Het hadden er meer kunnen zijn, als sommige, zoals ABN Amro, niet het veld hadden geruimd na een buitenlandse overname.