Zwei Seelen, ach!

Op het land wonen of in de stad, ziedaar de vraag. ’t Is niet zomaar een keus, als tussen een eierkoek of een banketstaaf, ’t is kiezen tussen zon of maan, aarde of hemel, wit of zwart. Het definieert je.

Ik ken stadsmensen die niet willen geloven dat een grassprietje zin heeft. Ik ken natuurmensen die asfalt aanzien voor de ultieme gifbeker. Onmogelijke koppels.

Ik was een doorgewinterd stadsmens. De natuur stond voor mij gelijk aan voorlopig onbebouwde stad. Er was nog een lange weg te gaan naar de opvatting dat al wat stad heet is afgepakt van de natuur. Maar de ommekeer vond plaats. Stilzwijgend en als vanzelf werd de weg afgelegd.

Hier gebeurt niets, dacht ik, als ik door een bos liep. Het groeien van twijgen, het vergelen van blaadjes en het knappen van zaaddozen rekende ik niet tot de gebeurtenissen. Het bleef er een dooie boel.

Ik begrijp niet langer wat ik toen zo saai aan de natuur vond. De kleuren, de stilte en het briesje, alles is spannend. Er zit leven in het uitzicht.

Kolkende eenzaamheid.

Soms komt hier iemand op bezoek, regelrecht uit de stad, en dan herken ik het verschijnsel weer. Hij kijkt naar het landschap, hij wordt onrustig, hij kijkt nog eens en wil dan onmiddellijk ‘ergens’ naar toe. Waarheen? Het dondert niet, als er maar muziek is of een opstootje of een halfduistere hoek.

Ik kijk naar het landschap en ik heb er genoeg aan. Het windt me niet speciaal op, het blijft ansichtkaart en behang, maar ik hoef ook niet weg uit dat vanzelfsprekende decor.

Een echt natuurmens word ik nooit. Ik onderscheid alleen grote vogels en kleine vogels. Van een boom kun je eten of niet. Tuinieren komt me voor als een bezoeking. Toch voel ik me vertrouwd met het land.

Het helpt, denk ik, dat ik op het platteland ben geboren. Mijn ogen zijn gewend aan groen en geritsel. Ik houd de natuur niet voor raadselachtig. Weliswaar verlangde ik er mijn hele jeugd naar zo snel mogelijk naar de stad te vertrekken, maar dat verlangen zelf zou voorgoed geassocieerd blijven met het platteland.

De basis voor een mooie tweespalt.

Was er ooit een verzoening mogelijk, een ontmoeting?

Ongetemde bruidsluiers in de stad, een Frans park op het land?

Dorpjes zijn minder gedrochtelijk. Mijn nietige dorpje is een uitkomst. Dorpjes zweven tussen beton en wildernis.

’t Moet wel in de heuvels liggen. Heuvels verbeelden gevels. Dalen kunnen voor labyrinten spelen. Ik zou gek worden van het wonen aan zee of tussen allemaal boomstammetjes.

Een dorpje in de heuvels is een embryonale stad.

Altijd is er wel een verbrokkelde muur of een natte steen die me in de waan brengen dat ik me in het cocon van de stad bevind. Achter elke heuvel kan zich iets anders schuilhouden dan je denkt.

Dat ik een stadsmens ben schud ik nooit van me af. En al kom ik weken niet uit mijn kamer, toch weet ik door het raam de natuur kalm te ondergaan.

Ik ben gewend aan het land. Ik zal er nog meer aan moeten wennen. Dat zal vast lukken, eenmaal onder de grond.

Gerrit Komrij