Striemendste dichter wint de Buddingh’ Prijs

Op Poetry is gisteravond de Buddingh’ Prijs toegekend aan Wiljan van den Akker voor zijn bundel De Afstand. „Hij trekt je mee in een kolkende taalstroom.”

De schijn was bedrieglijk, gisteravond bij de uitreiking van de C. Buddingh’ Prijs voor nieuwe Nederlandstalige poëzie. Toen de jongste van de vier genomineerden, Edwin Fagel, het podium betrad, flitsten de fotocamera’s meer dan bij de anderen, Arnoud van Adrichem, Wiljan van den Akker en Peter Swanborn.

Toen Fagel de afsluitende reeks gedichten uit zijn debuutbundel Uw afwezigheid voorlas, lag de zaal muisstil aan zijn voeten, gegrepen door zijn alledaagse taal en de religieus aandoende intensiteit van zijn beelden. Zijn laatste gedicht besloot met de regel „Er is geen enkele twijfel mogelijk” en zo leek het inderdaad te zijn: na de Jo Peters poëzieprijs zou Edwin Fagel ook de C. Buddingh’ Prijs winnen.

Er maakte zich dan ook enige verbazing van de zaal meester toen de prijs een half uur later werd toegekend aan een andere genomineerde, Wiljan van den Akker (1954). Diens bundel De afstand, ontleende, aldus de jury, zijn kracht eraan „dat je als lezer in die kolkende taalstroom meegetrokken wordt, en daarbij over scherpe, striemende dingen glijdt, die je ijskoud in het gezicht spatten, je hersens raken, licht werpen op wat je niet kunt of wilt onder ogen zien’. De voorlezing van het juryrapport door jurylid Paul Bogaert was een literaire performance op zich, compleet met op een scherm geprojecteerde dichtregels uit het werk van de genomineerden.

De keuze voor Van den Akker had de jury (waarin ook Willem Jan Otten en Monique Warnier zaten) unaniem gemaakt, verzekerde Bogaert, die het „precieze, eigen stempel” van de winnaar prees. De neerlandicus Van den Akker debuteerde vorig jaar tamelijk onverwacht als dichter, hij geniet vooral bekendheid als hoogleraar in Utrecht en als vertaler van het werk van de Amerikaanse dichter Mark Strand. Gevraagd of zijn belezenheid geen belemmering was geweest om zelf te gaan dichten, zei hij: „Ik sta hier nu, dus ik kan alleen maar zeggen dat het geholpen heeft”. Maar hij moest wel iets overwinnen, erkende hij: „Toen ik werd opgeleid, kregen we alles te lezen, maar zelf literatuur schrijven was not done.”

Van den Akker is een groot voorstander van het onderwijzen van creative writing aan Nederlandse universiteiten. Hij benadrukte weinig affiniteit te hebben met stromingen in de poëzie: „Ik verzet me tegen alle stemmen die zeggen hoe het moet.”

Niet zozeer hoe het moet, maar hoe het kan en hoe goed het kan zijn, was eerder die avond al gebleken bij het optreden van de Argentijnse dichteres Mirta Rosenberg, die van de grote zaal een ovatie kreeg voor haar gedichten, waarin de ‘kolkende taalstroom’ uit het werk van Van den Akker werd gecombineerd met het gevoel en de urgentie die uit de gedichten van Fagel spreekt.

Bespreking genomineerde bundels C. Buddingh’ Prijs op nrcboeken.nlPoetry International duurt t/m 13/6. www.poetry.nl.