Staat van onderhoud

In zijn advies Sturen op Infrastructuren heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) alarm geslagen over het onderhoud van publieke netwerken, zoals riolering, waterleiding en gaspijpen. Door liberalisering, privatisering en open grenzen is daar minder aandacht voor. Ook de overheid zou te veel kortetermijnpolitiek bedrijven om voor het onderhoud te kunnen zorgen. Vandaar dat de WRR vindt dat deze netwerken niet onder de overheid moeten vallen maar in ‘nieuwe structuren’ van het publieke en private domein moeten worden beheerd.

Om twee redenen is deze oplossing voor de meeste netwerkmonopolies niet praktisch. Zeker op het gebied van de energievoorziening, om het daartoe te beperken. Nu er concurrentie op de energiemarkt wordt ingevoerd, moeten er garanties zijn dat alle marktpartijen gelijkelijk toegang hebben. Met één energienetwerk kan immers niet worden geconcurreerd. Daarom heeft het parlement wijselijk besloten dat dit monopolie in eigendom blijft van de Nederlandse staat. Bovendien heeft de Nederlandse overheid veel netwerken in het verleden goed onderhouden. De onderling concurrerende bedrijven die energie leveren op dit publieke netwerk mogen dan wel worden geprivatiseerd.

De Europese Commissie heeft terecht voorgesteld om in de hele Europese Unie het netwerkmonopolie naar Nederlands of Brits voorbeeld af te splitsen. Jammer genoeg heeft de Europese Raad van ministers afgelopen vrijdag onder druk van de Franse en Duitse regeringen het voorstel van de Commissie niet gevolgd, maar een zogenoemde Derde Weg gekozen. Er hoeft slechts een juridische splitsing te worden doorgevoerd.

Dit zet de onafhankelijke regulator, die dan voor concurrentie op het netwerk moet zorgen, op achterstand. De energieleveranciers hebben een goede reden om hun netwerkmonopolie in handen te houden. Maar voor hun concurrenten is het lastig. Het is alsof Blokker zijn spullen uitsluitend in winkels van de Hema mag verkopen in plaats van aan de openbare weg. Een onafhankelijke toezichthouder kan die scheve verhouding niet rechttrekken met massa’s regels en richtlijnen.

Een tweede voordeel van publiek eigendom van netwerkmonopolies is dat de overheid voor het onderhoud kan zorgen zonder zich te hoeven bekommeren om de winst op de korte termijn. Bij overheidseigendom komen in principe meer euro’s voor onderhoud terecht op hun bestemming en niet bij tussenschakels of aandeelhouders.

Het is daarom ook zo treurig dat het huidige kabinet de dividenden van zijn monopolies niet aan infrastructuur zelf besteedt. Maar de vraag is of een particulier monopolie daartoe wél gedwongen kan worden.

Bij de meeste fysieke netwerkmonopolies is overheidseigendom de beste garantie voor onderhoud en voor gelijke toegang van of concurrentie tussen partijen die daar gebruik van maken. Het alternatief, nog meer toezichthouders, structuren en overleg, is onhelder en bureaucratisch.