Sir Alan vindt huilen erger dan liegen

Lee McQueen (30), een salesmanager uit Buckinghamshire, is gisteren de verrassende winnaar geworden van het vierde seizoen van de BBC-serie The Apprentice. Hij overweegt een Porsche te leasen en een duur cadeau voor zijn vriendin te kopen, nu hij een salaris van 100.000 pond gaat verdienen bij één van de werkmaatschappijen van zakenman Sir Alan Sugar, de eigenlijke ster van het programma.

De eindoverwinning van Lee over drie medefinalisten, vijftien deelnemers en 20.000 kandidaten verbaast niet omdat hij een van de minst opvallende spelers was, maar wegens een flagrante onjuistheid in zijn cv. Vorige week was bij nader onderzoek gebleken dat hij niet twee jaar aan een bepaalde universiteit had gestudeerd, maar slechts vier maanden. Er werd wel een beetje een punt van gemaakt, maar Sir Alan en zijn adviseurs vonden het geen doodzonde. In het afsluitende nagesprek voor een zaal vol publiek zei de toekomstige werkgever van The Apprentice: „Het is geen ernstige kwestie. We hebben allemaal wel eens zoiets uitgehaald.”

Zo leer je nog eens wat over de mores in het Britse bedrijfsleven. In het calvinistische Nederland zou een leugen bij een sollicitatie veel zwaarder wegen. De Engelse cultuur kent weer andere overgevoeligheden.

Lee was in een psychologisch gesprek uitgedaagd om zijn imitatie van een pterodactylus (een prehistorische gevleugelde hagedis) ten beste te brengen. Hij deed het, en niet slecht, maar toch werd het hem aangerekend dat hij de ernst van het onderhoud had onderschat door niet te weigeren. Ook mannen die hun emoties de vrije loop laten krijgen dat weken later nog ingepeperd, als het tonen van zwakte. In een samenleving met sterk masculiene waarden is een leugentje om bestwil minder fout dan het koketteren met je menselijke eigenschappen.

The Apprentice is in eerste instantie een voortreffelijk gemaakt amusementsprogramma. Het volgt in grote lijnen het stramien van al die televisieformats die in een wekelijkse afvalrace de beste kandidaat selecteren voor een begeerde titel of betrekking. Het grote verschil tussen young executives en musicalsterren is echter dat een strijd tussen de eerstgenoemden meer onthult over sociale en bedrijfsculturele eigenaardigheden, al was het maar omdat uitsluitend door één man beoordeelde prestaties meetellen, en niet de sympathie van het publiek.

Sir Alan Sugar, zoon van een Joodse kleermaker uit het Londense East End, is een selfmade tycoon, die weinig opheeft met intellectuelen. Net als in de vorige uitzendingen volgt de schifting in grote lijnen een vast patroon. Door de kandidaten vooral te testen op hun verkoopvaardigheden op straat, vallen de advocaten en Oxbridge boys, strak in het pak zittende Tories, het eerst af. Toen een van hen zei het moeilijk te vinden om op het werk over voetbal te praten, was hij verloren.

Dan volgen de kandidaten met een niet-Europese achtergrond. Volgens goed Brits gebruik wordt aan etniciteit geen woord vuil gemaakt, maar dat betekent niet dat het geen rol zou spelen in het wereldbeeld van Sir Alan. Toen een zich als trotse Jood presenterende kandidaat het verschil tussen koosjer en halal niet bleek te kennen, kreeg hij nog even respijt, alleen maar omdat de anderen deze fout al te gretig trachtten te exploiteren.

Vrij ver komen de creatieve en origineel denkende echte ondernemers, maar ook die redden het ten slotte niet, wegens twijfel aan hun vermogen om zich in een team ondergeschikt op te stellen. De vier finalisten van gisteren waren zeker niet de briljantste deelnemers, maar wel de meest bruikbare. Allen waren echte social climbers, met moeilijk verstaanbare accenten en een onstuitbare gretigheid naar status en geld. Het laatst viel Claire Young af, die zich tot dan toe vooral had onderscheiden door een grote mond, ellebogenwerk en een miepend stemmetje à la Ricky Gervais in The Office. Maar verkopen, dát kon ze als een rottweiler.

The Apprentice roept geen rooskleurig beeld op van het zakenleven en van de Britse klassemaatschappij. Die openhartigheid is misschien de voornaamste troef.

    • Hans Beerekamp