Hoe krijgen we de crisisgezinnen binnen?

Elke gemeente heeft binnenkort een centrum voor jeugd en gezin. Dat moet het antwoord zijn op langs elkaar werkende hulpverleners. Maar gemakkelijk gaat het niet.

Het gebouw van het centrum voor jeugd en gezin staat er al wel. Alleen is het niet te bereiken. Het telefoonnummer ‘speciaal voor ouders’, gevonden op internet, geeft een Zaandams consultatiebureau. „Nee, dit is niet het centrum voor jeugd en gezin. U bent hier niet goed”, zegt de mevrouw die opneemt. Wat vervelend, verzucht de pas benoemde coördinator van de Zaanse centra voor jeugd en gezin Monique Schweitz. „Het consultatiebureau hoort wel degelijk bij ons. Dat weet alleen nog niet iedereen. En we willen juist geen drempels opwerpen voor ouders.”

Elke gemeente stampt momenteel een centrum voor jeugd en gezin uit de grond. Eenvoudig is dat niet, zo blijkt in de praktijk. Deskundigen juichen de investering (430 miljoen euro van het rijk, via gemeenten) in opvoedingshulp aan ouders toe. Maar ze constateren nu al stroeve samenwerking, te hoge politieke verwachtingen en ze vragen zich af of echte crisisgezinnen op zo’n overheidsinstantie afkomen.

De centra voor jeugd en gezin moeten het nieuwe antwoord worden op falende ouders en langs elkaar heen werkende hulpverleners waardoor kinderen tussen wal en schip vallen. Sinds de kleuter Savanna werd vermoord door haar (stief)ouders, zoeken overheden naar manieren om grip te krijgen op een kleine groep ontsporende gezinnen. Naar schatting 100.000 kinderen worden elk jaar mishandeld of verwaarloosd.

Tegelijk staan steeds meer kinderen langer dan twee maanden op een wachtlijst voor professionele hulp van jeugdzorg. Dat maakt het functioneren van die centra zo urgent. Minister Rouvoet (Jeugd en Gezin, CU) wil dat in die centra de artsen van consultatiebureaus – waar vrijwel alle ouders met kleine kinderen tóch komen – zich actief gaan bemoeien met ouders die hun kinderen verwaarlozen.

De plannen voor de centra barsten van jargon als vroegsignalering en geïntegreerd hulpaanbod. Maar duidelijk is dat ouders naar het centrum moeten kunnen bellen of komen met vragen als: hoe voorkom je bedplassen? Waarom is mijn dochter zo brutaal? Er moet ook hulp zijn voor gezinnen met tijdelijke problemen, zoals echtscheidingsruzies of schulden, die zonder externe hulp soms chronisch kunnen worden.

Duidelijk is ook dat verloskundigen, kraamhulpen, verpleegkundigen en hulpverleners van jeugdgezondheidszorg en jeugdzorg er allemaal kantoor moeten houden en ook nog moeten samenwerken. Zodat ouders maar één keer hun verhaal hoeven te doen en maar één contactpersoon hebben. En ze onmiddellijk hulp krijgen als een hulpverlener vermoedt dat ze de opvoeding niet aankunnen.

Gemeenten moeten de hulp in de centra zelf organiseren. Rouvoet laat zoveel mogelijk aan hen over hoe ze dat doen. Wat wel verplicht is, is banden aangaan met jeugdzorg en met de ‘zorgadviesteams’ op scholen. Die hebben normaal gesproken, dankzij de leerplicht, zicht op alle kinderen.

In Amsterdam wordt al vier jaar gewerkt aan veertien OuderKindCentra, centra voor jeugd en gezin avant la lettre. Ze zijn in de consultatiebureaus ontstaan. Tot nu toe hangen de diensten (verloskunde, opvoedhulp, jeugdzorg, kraamhulp en GGD) in die centra als los zand aan elkaar, concludeert de Amsterdamse Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling in een recent rapport. De centra hebben geen algemeen telefoonnummer, geen overleg, geen samenwerking, geen duidelijk logo, kortom geen coördinatie.

Enkele redenen: afspraken maken en overleggen met andere instellingen kost tijd. En die uren worden niet vergoed dus dat demotiveert. Omdat het rijk niet voorschrijft welke dienst bijvoorbeeld de centrale coördinatie moet betalen, wil geen enkele dienst dat doen en is die er dus niet.

Overal geldt dat verpleegkundigen van consultatiebureaus niet voortdurend bereikbaar willen zijn omdat ze bang zijn dat ouders dan om elk wissewasje gaan bellen. Bovendien hebben de consultatiebureaus het al erg druk met inentingen en de standaard ontwikkelingsonderzoeken voor alle 0- tot 4-jarigen, zei jeugdarts Remy Hirasing onlangs op een congres. „Het is een grote verworvenheid dat we kinderziektes als polio hebben uitgebannen. Dat moet zo blijven. De consultatiebureaus moeten niet worden belast met nieuwe taken die minder belangrijk zijn.”

Ouders stappen sowieso niet snel op een professioneel opvoedcentrum af, blijkt uit recent onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en kenniscentrum E-quality. Slechts twee procent vroeg advies aan een reeds bestaand opvoedcentrum van de gemeente. Ruim de helft vraagt weleens hulp aan de juf, nog eens 21 procent aan de huisarts en een kwart wendt zich tot peuterleidsters.

Vooral het idee dat problemen geregistreerd worden in een dossier, schrikt ouders af. Zeker als ze het oneens zijn met een diagnose (‘depressief’ of ‘adhd’) over zichzelf of hun kinderen. Het is de bedoeling dat hulpverleners in de centra voor jeugd en gezin gegevens en diagnoses registeren in het zogeheten Elektronisch Kind Dossier.

En dan zijn er de ‘zorgmijders’ – ouders met psychiatrische problemen, een gewelddadige relatie of een verslaving – die helemaal niet op bemoeienis zitten te wachten. „Die komen niet in zo’n centrum terwijl juist zij opvoedhulp nodig hebben”, zegt Dolf van Veen, hoofd van het Landelijk Centrum Onderwijs en Jeugdzorg.

Hij vindt „elke versterking van opvoedondersteuning een goede zaak”. Maar die groep ouders, zegt Van Veen, kan beter benaderd worden op plekken waar ze sowieso komen: op school of bij de sociale dienst.

De politieke verwachtingen van de centra voor jeugd en gezin zijn te hoog gespannen, vindt Jan van Leijenhorst die gemeenten adviseert. „Die centra zijn slechts een instrument in het jeugdbeleid maar lijken een doel op zichzelf te worden. Jammer, want op de lange termijn zijn ze een mooie voorziening, als de hulp aansluit op de lokale vraag.”

Zelfs als alles gesmeerd loopt, zegt Van Leijenhorst, voormalig wethouder jeugdzaken in Utrecht, moet men niet de illusie hebben dat een centrum rampen zoals die van Savanna kan voorkomen. „Ze kunnen wel individuele gezinnen wat beter in beeld brengen.”

    • Antoinette Reerink
    • Frederiek Weeda