Hé mijn vingers spelen opeens basgitaar!

Geen boze woorden over urennormen, stakingen of doorstroommogelijkheden.

Vandaag uitslag van de eindexamens, maar ook een ode aan het vak muziek.

Illustratie Leonie Bos Bos, Leonie

Een onvermoede wereld dichterbij brengen. Zoiets, denk ik, moet het zijn wat mij als muziekleraar drijft. Muziek is wat dat betreft een prachtig vak. Immers, ieder mens heeft zijn eigen muzikale wereld en wanneer je die werelden samenbrengt, in een compositieproject, in een open podium of op een vrijdagmiddag in lokaal R met Sjostakovitsj uit de speakers, dan moet het gebeuren. En als het lukt, is dat het mooiste wat er is.

„Zet het blauw van de zee tegen het blauw van de hemel”, zei beeldend kunstenaar Willem Hussem (1900-1974). „Veeg er het wit van een zeil in en de wind steekt op.” Hij heeft gelijk, denk ik. Nooit gedacht dat ik zo veel plezier zou beleven aan het schilderen van steeds weer een horizon. Hetzelfde, nooit hetzelfde…

Muziek is net zo groot en allesomvattend. En daarmee ook zo moeilijk te beschrijven, in kaart te brengen. Je kunt er alles van weten, maar als je er niets bij voelt… En omgekeerd: misschien voel je er wel van alles bij, zonder er ook maar iets van af te weten. Hoe belangrijk is weten? Ik denk: weten is mooi, maar eerst voelen.

Zoals dus bijvoorbeeld Sjostakovitsj, 8e symfonie. Tweede Wereldoorlog, dood, leven. Uitleggen? Eerst luisteren. Klas 1C luistert. Rechts voorin ziet iemand een tunnel zonder uitgang, links achterin ziet een ander precies hetzelfde! Hoe kan dat? Weer iemand anders had de klas uit willen rennen, willen vluchten. Eigenlijk óók hetzelfde: hoe kan dat? Hoe kan het dat, hoewel we Sjostakovitsj niet kennen, niets van hem weten, de stereo ons zestig jaar na dato in tien minuten tijd naar zijn diepste gedachten brengt en we hem als vanzelf begrijpen? ‘Wie vond het mooi?’ is dan ineens een haast onbelangrijke vraag.

Een onvermoede wereld dichterbij brengen. Het kan ook iets heel anders betekenen. Misschien is iets wel jouw wereld, maar weet je het alleen nog niet. Basgitaar: je vingers blijken het ding te snappen, nog voordat jij de gitaar begrijpt. Of zingen, waarvan je altijd dacht dat je het niet kon – misschien hebben ze het ooit tegen je gezegd en heb je het te goed onthouden, ben je voorzichtig geworden, geen risico. En opeens, staand naast een piano blijk je oren te hebben en een stem en werken die ook nog samen. Of muzieknoten als magisch abacadabra, alleen weggelegd voor de muzikaal heiligen onder ons. Maar zie: een taaltje, mooi trucje, niets meer, niets minder, klaar voor wie het wil gebruiken.

Rondlopen in de wereld van muziek. Verkenningen doen, musiceren, creëren en – heel belangrijk – analyseren: het detail van de kunstenaar… Wat maakt dat het raakt? Het akkoord op 10 min 57 waar je elke keer weer van uit je dak gaat. De cello die als enige overblijft aan het eind. De beat waar je steeds harder van gaat fietsen. De tekst die voelt alsof hij voor jou alleen bestemd is. Wat gebeurt daar? En vooral: hoe is het gemaakt? En waarom zo?

En dan gaandeweg merken dat veel zo ver van je bed nog niet is. Dat Beethoven niet op de hoogte is van Buena Vista Social Club, maar even zo graag in 4en en 3en tegelijk telt. Dat de band Muse in het nummer Space Dementia het 2e pianoconcert van Rachmaninov aanhaalt, dat sommige jazzmusici inspiratie krijgen van Ravel en dat Bach vast gehouden moet hebben van Charlie Parker, ook al was hij er toen nog niet (en nu niet meer). Het enige wat je hoeft te hebben is een open vizier. En ook dat valt te leren. Best aardig vak eigenlijk, Muziek! Het is woensdag, het laatste uur, een bovenbouwklas. Een klein maar erg betrokken groepje leerlingen met ieder zo zijn eigen smaken en voorkeuren. Soms zit dat laatste ons toch ook wat in de weg: hoe onbevangen kun je deelnemen aan iets wat volledig buiten je eigen belevingswereld zit, zonder direct te oordelen? Hoe dichtbij mag muziek komen, of omgekeerd: hoe dicht kunnen wij muziek, elke soort muziek naderen? Dan krijg ik een spontane ingeving: laten we vandaag meerdere zintuigen tegelijk aan het werk zetten en kijken wat er gebeurt. Lezen, kijken en luisteren tegelijk. Ik ben heel nieuwsgierig of dit gaat werken.

Op papier krijgen de leerlingen een interview uit de serie ‘Van de schoonheid en de troost’ van Wim Kayser (VPRO) met Karel Appel. In dat interview vertelt hij over zijn werkwijze tijdens het schilderen. Hij springt voortdurend van de hak op tak, we vliegen van magische verfsoorten naar de unieke kleur van de Amsterdamse straatverlichting in de avondschemering, naar de rugpijn die hij wel in de supermarkt voelt van het te lange staan bij de kassa, maar niet in zijn atelier na tien uur werken. En over die schilder, alleen aan het werk in zijn atelier, zegt Appel: „Je bent er en je bent er niet”.

Gelijktijdig met het lezen speelt ook de video: een fragment met Reinbert de Leeuw die aan de piano een prachtig fragment van Franz Liszt speelt. Daarin zit een passage waarbij heel langzaam chromatisch omhoog wordt geklommen. Tot aan een heel open Bes-akkoord met één allesdoordringende noot: een D. Als hij uitgespeeld is, wordt Reinbert de Leeuw over die noot geïnterviewd, dat wil zeggen: hij vertelt aan een stuk door, hardop denkend, heen en weer pendelend tussen de vleugel en de bank waarop zwijgend de interviewer zit. Het is „alsof er daar een raam opengaat”. Wat maakt die noot zo prachtig? Hij gaat volledig in zijn eigen dilemma op. Waarom gebruikt componist B exact dezelfde stijlmiddelen en gebeurt er niets, terwijl Schubert, Liszt… „en het is daar!”. „Er is blijkbaar iets waar je nooit achter komt”, besluit De Leeuw.

De leerlingen hebben moeite om beide informatiestromen gelijktijdig te kunnen verwerken, maar lijken wel geïntrigeerd. Ze verzoeken ook om het hele fragment nog een keer af te spelen, de één met de focus nu op lezen, de ander juist om meer te kijken en te luisteren. Als de band voor de tweede maal afgelopen is, zoek ik naarstig naar de juiste vraag om de discussie te openen, maar geconcentreerd als ik ook zelf heb zitten kijken schiet me die zo snel niet te binnen.

Max zegt: „Nou, dit moet dus blijkbaar met elkaar te maken hebben…” (ondertoon: ‘vaag is dit!’). Olivier onmiddellijk: „Nee, dat hoeft toch niet, dat heeft-ie er niet bij gezegd”. Bianca: „Ja, maar als je ziet hoe die Karel Appel erover vertelt, die man op de video, is net zo, die zit er ook helemaal in.”

En voor ik het weet volgen enorme discussies over kunst en inlevingsvermogen, over fantasie en creativiteit. De leerlingen vertellen over hun eigen momenten van inspiratie, over wat hen raakt en wat juist niet. Het houdt niet op te stromen, het is daar. En ik… ik ben er wel en ik ben er niet. Ik zwijg en kijk en luister, het gesprek een compositie op zich. Dan is opeens de tijd om. Het zou weleens een heel goed jaar kunnen worden.

Saul de Caluwé (16 aug 1972) heeft zijn leven ingericht rondom muziek in de breedste zin van het woord. Lesgeven en musiceren gaan daarbij hand in hand. Zo is hij werkzaam als muziekdocent op het Johan de Witt gymnasium te Dordrecht. Ook geeft hij les aan de opleiding Docent Muziek van het Rotterdams Conservatorium. Daarnaast is hij betrokken als pianist, arrangeur en dirigent bij activiteiten/projecten van uiteenlopend genre.

Beluister het fragment met Reinbert de Leeuw op: www.nrcnext/links (passage tussen 31:08 en 37:38 werd in de klas getoond).

Lees het interview met Reinbert de Leeuw over de allesdoordringende D-noot op: www.nrcnext/links