Ga prudent om met gedane beloften

Discussies over de vraag welke allianties de PvdA zou moeten sluiten, missen substantie. Nu is de partij voor niemand interessant. Het congres moet zaterdag een urgentieprogramma formuleren om de huidige neerwaartse spiraal te stoppen, vindt Arie van der Zwan. En sla elkaar vooral niet de hersens in.

Tekening Siegfried Woldhek Woldhek, Siegfried

De PvdA bevindt zich in een bestaanscrisis. Niet voor de eerste keer, maar wel dieper dan ooit tevoren. Dat de partij er moeite mee heeft om duidelijk te maken waar ze politiek staat en waarvóór ze staat is niet nieuw. Eind jaren vijftig begin zestig bevond zij zich ook in die situatie. Het was ironisch genoeg Den Uyl die de PvdA toen voorhield dat de opkomst van de welvaartsstaat de sociale strijd had doen vervagen en dat ze zich moest opmaken voor een tijdperk van ontideologisering en vermaterialisering. In plaats van een partij met een missie was ze hierdoor een gewone partij geworden met alleen de behartiging van de belangen van de arbeiders als specifiek element. Den Uyl ging niet zover dat hij de beginselen van zijn partij afzwoer, maar hij meende wel dat de omstandigheden van toen geen mogelijkheden boden om die in praktijk te brengen.

Dat de crisis zich toen niet verdiept heeft, moet worden toegeschreven aan het feit dat op het moment dat de PvdA afstand van haar hervormingsmissie meende te moeten nemen, de vakbeweging haar meegaande houding juist aflegde en aan een herideologisering begon door de emancipatie van de arbeidersklasse op de maatschappelijke agenda te plaatsen. De PvdA werd daar gaandeweg in meegezogen en Den Uyl, inmiddels aangestoken door deze omslag in dtte tijdgeest, was de man die in de jaren zeventig zou uitgroeien tot de verpersoonlijking van de politieke strijd gericht op maatschappijhervorming. De ideologische leegte was van korte duur geweest, de PvdA omarmde het spreidingssocialisme: spreiding van kennis, inkomen en macht.

De radicalisering van de PvdA die onder het leiderschap van Den Uyl gestalte kreeg, is niet zonder heftige interne roerselen verlopen, maar de partij bleef zich een hechte organisatie tonen die juist wel voer bij de opleving van de politieke strijd. Het enthousiasme daarvan sloeg over op de achterban. Geen leider van de PvdA heeft zich zo consequent ingezet voor de binding van wat hij beschouwde als de natuurlijke achterban van de PvdA zoals de vakbeweging, de onderwijswereld, de gezondheidszorg en de journalistiek.

Ook bij het electoraat vond Den Uyl met zijn bevlogenheid weerklank, onder zijn leiderschap behaalde de PvdA de beste verkiezingsresultaten uit haar geschiedenis. Toen hij in 1985 het stokje aan Kok overdroeg zag het er aanvankelijk niet naar uit dat de PvdA aan de vooravond stond van een ingrijpende heroriëntatie. Maar hoe succesvol het leiderschap van Den Uyl ook geweest was, in de 21 jaar die hij als partijleider had gediend, droeg zijn partij slechts zes jaar regeringsverantwoordelijkheid. De verkiezingsoverwinningen die hij met zijn principiële opstelling had weten te bewerkstelligen kenden ook een keerzijde, namelijk de onwrikbaarheid van de ingenomen stellingen.

Kok stelde zich tot doel om de PvdA terug in de regering te brengen. Voor die koers wist hij brede t steun te verwerven. Onder Kok werd begonnen aan een grote schoonmaak: ‘de luiken moesten worden opengezet’. De partij werd organisatorisch, qua maatschappelijke positionering en politieke koers tegen het licht gehouden. Centraal daarin stond de verovering van het politieke midden. Van het concept van de actiepartij alsook van de uitzichtloos geachte polarisatiekoers werd zonder omwegen afscheid genomen. Kok toonde zich nu bereid tot een kritische herwaardering van de verzorgingsstaat die hij in zijn lange jaren als FNV-voorzitter te vuur en te zwaard verdedigd had.

Zijn eerste verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1989 leverden Kok een teleurstelling op , de verovering van het politieke midden bleek een taaie materie. De populariteit die hij als persoon genoot had hij niet in stemmenwinst weten om te zetten. Kok bleek niet het stemkanon dat velen in hem gezien hadden. De PvdA verloor de verkiezingen, maar wist zich wel van de begeerde regeringsdeelname te verzekeren. Dat was een stap met grote politieke gevolgen, in de regering moeten moeilijke beslissingen genomen worden en daarmee maakte de PvdA onder Kok op pijnlijke wijze kennis.

De beperking van het financieringstekort waarin het regeerakkoord van 1989 voorzag, bood al weinig ruimte voor nieuw beleid, maar bij de voorbereidingen voor de Voorjaarsnota 1991 bleken nog weer nieuwe bezuinigingen nodig. Binnen de kring van de meest betrokken ministers werd besloten de WAO aan te pakken. Wat daarvan ook de merites waren, de manier waarop de bevolking daarmee werd overvallen was ongekend. Het was Kok zelf die zijn achterban in de waan had gelaten dat uitkeringshoogte en duur onaantastbaar waren om vervolgens het volkomen onvoorbereide electoraat in de vroege ochtend van 14 juli te verrassen met een explosieve boodschap. De politieke weerslag daarvan kende geen precedent. De verontwaardiging was groot en algemeen.

De twee grootste partijen, CDA en PvdA, die beide dragers van de verzorgingsstaat waren geweest, leden in 1994 een zo grote nederlaag dat ze geen meerderheid meer hadden.

In retrospectief was het die regeringsdeelname die de PvdA electoraal in een neerwaartse spiraal heeft doen belanden. Het ledenverlies was nog nooit zo groot, terwijl de binding met wat Den Uyl ‘de natuurlijke achterban’ noemde, danig verzwakte. De gebonden kttiezers haakten af en de PvdA werd in toenemende mate afhankelijk van de ongebonden kiezers die, vatbaar als zij zijn voor uiteenlopende opties, onberekenbaar blijven. Aanvankelijk werd dat binnen de PvdA niet zo gevoeld. Hoe groot de nederlaag ook was die de partij in 1994 te slikken kreeg, Kok vierde een persoonlijke triomf. Zijn partij was de grootste geworden en hij kwam verrassenderwijs in de positie om leiding te geven aan de formatie. Het vooruitzicht van een formatie waarin de confessionelen geen rol zouden spelen, bracht de Haagse politiek in opwinding. De socialisten en liberalen waren, althans voor een tijdje, verlost van hun kwelgeest. Ze mochten het politieke spel nu zelf gaan maken. Het verloop van de paarse kabinetten bood een treffende illustratie van de vatbaarheid van de ongebonden kiezers voor uiteenlopende opties.

Van hun confessionele kwelgeest waren de PvdA en de VVD verlost, maar hun verbond creëerde politiek de ruimte voor een nieuwe plaaggeest: het populisme.

De nieuwe partijen die daaraan gestalte geven mogen een kortstondig bestaan kennen, ze worden weer opgevolgd door nieuwkomers die het tot een permanent verschijnsel maken waarvan de weerslag op de politiek groot is. Niet het minst door de hang van een groot deel van het electoraat naar steeds weer nieuwe, verrassende verschijningen. Het snelle herstel van de PvdA in 2003 dat volgde op de dramatische nederlaag het jaar daarvoor past in datzelfde beeld. Wouter Bos had als nieuwkomer ook het odium van de man die de malaise achter zich gelaten had en bezig was een nieuwe start te maken. Door zijn eclatante overwinning was Bos op slag een gevierd man die in het brandpunt van de belangstelling kwam te staan. Het is de vraag of hij er zich van bewust was dat zijn positie op krediet berustte.

Hij vergaapte zich aan het succes van Fortuyn dat hem inspireerde, maar zag over het hoofd dat Marijnissen de SP eigenhandig had weten om te vormen van lokale actiepartij tot een factor in het politieke spel en als parlementariër alom respect verwierf voor zijn duidelijke stellingname die hij combineerde met een uitstekende debattechniek. De SP had zich inmiddels niet alleen politiek versterkt, maar ook haar maatschappelijke verankering verdiept. En in beide opzichten door in het gat te springen dat de PvdA onder Kok en Bos aan haar linkerkant liet vallen.

De overwinning van Bos in 2003 was een opleving die een keerpunt had kunnen worden maar alleen als hij erin geslaagd was de geloofwaardigheid van zijn partij te herstellen.

Dat hij daarin niet geslaagd is, zoals de verkiezingen van eind 2006 aantoonden, kan niet alleen op zijn persoonlijke conto geschreven worden. Ook al heeft zijn optreden tijdens de campagne daartoe bijgedragen, Bos heeft de neerwaarts gerichte trend niet weten te keren. De regeringsdeelname waartoe vervolgens besloten werd heeft de zaken – zoals te verwachten viel – op scherp gesteld. De partij staat in de polls lager dan ooit, het aantal zetels bedraagt nog maar de helft van dat in voorgaande crisisperioden. En dat terwijl de politieke speelruimte, ingeklemd als de PvdA is, drastisch is ingeperkt.

In de oppositie lukte het tenslotte niet, als regeringspartner nog minder. Niet een zaak om je vrolijk over te maken voor wie links een goed hart toedraagt of voor wie ook maar waarde toekent aan stabielere politieke verhoudingen. De polls laten immers ook zien dat het gat dat de PvdA laat vallen niet door andere linkse partijen kan worden opgevuld, het creëert speelruimte voor populistische bewegingen.

Het is moeilijk een betrouwbaar beeld te krijgen van hoe deze politieke situatie in de top van de PvdA beoordeeld wordt, niemand wil verdacht kunnen worden van defaitisme. Van een verkeerde afloop wil men daar niets weten.

Het lijkt mij dat het congres van zaterdag 14 juni de realiteitszin moet weten op te brengen om de situatie onder ogen te zien en tot een urgentieprogramma te besluiten erop gericht om de ontwikkeling te keren.

Punt één daarvan zou moeten zijn om op te houden over alliantievorming. De discussie daarover mist op dit moment elke substantie, terwijl die wel tot onenigheid leidt. In de onttakelde vorm waarin de PvdA momenteel verkeert, is ze voor geen enkele partij een begerenswaardige partner.

Bovendien heeft de PvdA in 2007 besloten toe te treden tot een alliantie met het CDA en de ChristenUnie. Hoe je ook over die beslissing denkt, het is onbehoorlijk om in dit stadium waarin er nog grote politieke beslissingen genomen moeten worden, tot afspraken te komen met oppositiepartijen.

Het tweede punt is de formulering van een aantal hoofdlijnen van beleid waarop de PvdA zich vastlegt en waarvan ze de burger belooft zich er sterk voor te maken, hoe hoog de golven ook gaan. Herstel van de geloofwaardigheid is wel het meest dringende punt. Timmermans heeft met zijn bijdrage in Opinie & Debat van 31 mei daartoe een bijdrage geleverd. Ik val hem bij in zijn stelling dat de PvdA uit de kramp moet komen. Zijn vijftien punten zijn wat veel van het goede, niet alle punten zijn politiek gesproken even actueel. Maar zijn pleidooi voor bezonnen modernisering (duidelijke regierol voor de overheid en herstel van het evenwicht tussen kapitaal en arbeid) en harmonieuzere verhouding tussen economische en sociale ontwikkeling lijken mij van fundamenteel belang.

Ze kunnen op brede ondersteuning rekenen, en ze lenen zich er voor om ze in deze regeringsperiode tot gelding te brengen. Het oogmerk om in de regering te gaan zitten was om het verschil te maken. Laat dat dan nu zien.

Punt drie betreft de regie van het beleid waaraan het in de partij de laatste jaren heeft ontbroken. Ik wil niet herinneren aan de pijnlijke AOW-interventie uit 2006 maar de behandeling van de financiering van de kinderopvang deed me er onweerstaanbaar aan denken. Het moet toch mogelijk zijn om de concrete beleidsvoornemens van de regering door te lichten tegen de achtergrond van het verkiezingsprogramma en gedane beloften om zo mogelijke pijnpunten tijdig van een aanvaardbare oplossing te kunnen voorzien. Het vierde en laatste punt is de afspraak die de leden van de partij zouden moeten maken om de publieke discussie over de positie en koers van de PvdA enige tijd op te schorten en de leiding in staat te stellen het urgentieprogramma ten uitvoer te leggen. Het is de tragiek van de PvdA dat ze, nu de neoliberale agenda is uitgewerkt, en ze politiek aan bod zou moeten zijn om daar een alternatief tegenover te stellen, in feite voor de noodzaak staat de strategie voor haar eigen overleving te ontwerpen. Dat is evenwel de situatie en niet zelden is er vanuit een benarde situatie iets moois ontstaan.

Arie van der Zwan is econoom en auteur van het onlangs verschenen boek Van Drees tot Bos – zestig jaar succes en mislukking.

Eerdere artikelen over dit onderwerp op nrc.nl/progressief