Amsterdam: hulp aan jeugd in stad faalt

De hulp aan probleemkinderen in Amsterdam faalt. Het jeugd- en welzijnsbeleid vormt een doolhof van projecten, organisaties en subsidies.

Dit schrijft wethouder Lodewijk Asscher (jeugdzaken) in een gisteren verstuurde brief aan de Amsterdamse gemeenteraad. Asschers conclusies zijn gebaseerd op een onderzoek naar het geld voor jeugd, onderwijs, welzijn en zorg in Amsterdam. Het onderzoek Systeem in beeld, waaraan sinds november 2007 is gewerkt, werd gisteren ook vrijgegeven.

In Amsterdam staat het onderzoek bekend als ‘Operatie Frankenstein’, een term die Asscher vorig jaar introduceerde. „Want we hebben zelf met de beste bedoelingen een monster gecreëerd, waar we geen vat meer op hebben”, licht Asschers woordvoerder toe.

De stad Amsterdam wekt bij bewoners de indruk dat „bij het opgroeien in de stad eigenlijk niets mis kan en mag gaan. Die suggestie wordt niet waargemaakt.”

Om het jeugdbeleid te verbeteren krijgt de gemeentesecretaris het „mandaat om overal in te grijpen waar dat in het belang is van hert Amsterdamse kind”. Asscher wil daarbij het zicht op de geldstromen verbeteren en de bureaucratie beteugelen. Een groot probleem is de overdaad aan initiatieven, die ook nog eens verschillende financiers hebben: de gemeente en het rijk. „Een bonte verzameling”, noemt Asscher dit: „De Amsterdammer die hulp nodig heeft, komt in een doolhof terecht van organisaties en instellingen.”

Deze versnippering leidt er ook toe dat hulpinstanties vaak slechts een probleem in een gezin te proberen op te lossen, terwijl ze andere problemen negeren. „Bij gezinnen met meer problemen zet dit de hulpverlening op het verkeerde been.” Hulpverleners hopen dat de volgende schakel in de keten wel kan ‘doorpakken’. Die manier van werken wordt uitgelokt doordat de werkprotocollen te dwingend zijn. „Ik zorg dat ik mijn dossier op orde heb en mijn straatje schoon houd”, heet het

Soms slaan hulpverleners een „eigen pad” in, op zoek naar een oplossing. Vaak door de taakomschrijving te omzeilen. Asscher: „Het praktische probleem van het gezin vormt hier het aanknopingspunt. En dat werkt.”