We moeten elkaars programma’s voortdurend ondertitelen

‘We moeten elkaars programma’s niet langer ondertitelen’, sprak de Vlaamse minister voor mediazaken tot grootnederlandse omroepen. ‘Anders zullen we elkaar op een dag niet meer begrijpen’.

De bewindsman heet Geert Bourgeois. Als ik hem was zou ik eerst mezelf maar eens laten ondertitelen.

Waarom vertaalt België Baantjer? Omdat Piet Römer denkt dat Amsterdamse rechercheurs altijd mompelen als ze spreken. Hij probeert De Cock dus naturel te spelen, maar in Kruishoutem kunnen ze dat niet volgen. Waarom zet zelfs het Vlaamse Journaal Nederlandse titels onder een Antwerpse stakingsleider? Omdat de man – ook naturel – zinnen zegt die ze in Kruishoutem net zomin kunnen thuisbrengen als de dialogen van Römer. Zoals u en ik soms in Flikken blijven steken en ik indertijd het Brabants van Merijntje Gijzen (nergens een ondertitel!) niet snapte.

Dus wat wil die Bourgeois nou? Om elkaar goed te blijven begrijpen hebben Vlamingen en Nederlanders zo nu en dan een woordenboek nodig – dat is een heel normale gang van zaken tussen twee volken van wie de talen misschien bedrieglijk op elkaar lijken, maar intussen behoorlijk van elkaar verschillen. Niemand kan zich toch ook voorstellen dat een Hoogduitser zonder ondertitels wijs kan worden uit een Oostenrijks gesproken soap?

Bourgeois wil de Nederlandse Taalunie laten ingrijpen, en heeft ook al steun gezocht bij zijn beroemde collega Bert Anciaux. Bert Anciaux is de Vlaamse culturele schijtebroek die er indertijd voor zorgde dat Gerard Reve de Prijs der Nederlandse Letteren niet uit handen van koning Albert zou ontvangen, omdat Joop Schafthuizen een keer zonder ondertitels z’n piemel aan een tuinjongetje had laten zien. Werk aan het Vlaams grootnederlandisme, en je krijgt met dat type cultuurdragers te maken.

Mij spreekt de blomme heus ook wel een tale, maar juist om die reden zou ik het probleem altijd van precies de andere kant aanpakken. Het moet voor programmamakers in Vlaanderen en Nederland een eer worden om hun werk zonder ondertitels uitgezonden te krijgen, en dat bereiken ze pas als in hun producties de Nederlandse taal altijd helder, ge-ar-ti-cu-leerd en volgens alle regels van grammatica en syntaxis wordt uitgesproken.

Ik geef een voorbeeld. De Nederlandse minister-president wordt in mijn voorstel consequent ondertiteld. Of hij nu een lid toespreekt van de koninklijke (kolijke) familie, kamervragen beantwoordt, zijn vrijdagse gesprek doet of zich tot het verzamelde volk wendt – altijd staan er titels onder. Waarom? Omdat hij anders onbegrijpelijk is. Hij is iemand die de hele dag klare taal zou moeten spreken omdat hij het, mirabile dictu, tot regeringsleider heeft geschopt – maar helaas, hij mist de gave van het woord. Ik vermoed dat er talloze Antwerpse stakingsleiders zijn die je gemakkelijker kunt verstaan dan de Nederlandse premier die de helft van z’n lettergrepen inslikt. Maar als je Antwerpse stakingsleiders ondertitelt, is er ook geen enkele reden om te doen alsof Balkenende voor de Vlaams-Nederlandse televisiekijker zonder kan. Nooit meer iets zeggen, of er staan lettertjes onder je beeld. Dat is stigmatisch. Maar dan moet hij maar een spraakleraar zoeken.

Vechten om zonder ondertitels op het scherm te mogen – daar wil ik met of zonder de Taalunie, Geert Bourgeois of minister Anciaux wel een actie voor beginnen. Bij Studio Sport hoorde ik een nieuwe voetbalanalist. Blijkens een ondertitel was het Gertjan Verbeek, die als trainer goed genoeg voor Feyenoord schijnt te zijn. Maar praten is weer een heel ander vak. Aan Cruijff is weliswaar geen touw vast te knopen, maar z’n afzonderlijke woordjes komen redelijk over. Verbeek zegt waarschijnlijk veel verstandiger dingen, maar geen van z’n woordjes wil buitensmonds treden. En dan is er maar één remedie: ondertitels.

Verplicht, zeg ik. Net zo lang tot ze het leren. Of ontslagen worden.

Jan Blokker

    • Jan Blokker