Tehuis

Omdat ik toch in Epe op de Veluwe moest zijn, besloot ik een kijkje te nemen in de Beekstraat, een oude straat in het centrum met enkele literaire sporen naar het verleden.

De katholieke schrijfster Marie Koenen, door mijn (katholieke) leraar Nederlands tot de beste schrijvers van Nederland gerekend (ik deelde zijn bewondering niet), woonde er voor de Tweede Wereldoorlog regelmatig in pension Vijvervreugd. Remco Campert, die in 1943 met zijn moeder naar Epe was gekomen, ging in deze straat naar de mulo.

Zou het er allemaal nog staan? Tot mijn verbazing bleek Vijvervreugd een nog altijd fraaie villa uit 1880 met een knus balkon boven de entree. Waar Marie destijds haar katholieke meesterwerken schreef, die nu niemand meer wil lezen, biljartten op deze dag de heren van de nieuwe Eper sociëteit.

Maar van de mulo van Remco Campert was geen spoor meer te bekennen. Ik klampte een hoogbejaard echtpaar aan, dat op een hoek een groot bronzen beeld van een fietser stond te bekijken. Of ze hier bekend waren?

Het bleek een schot in de toeristische roos. De man wees op een kloek pand aan de overkant, Beekzicht, op de hoek van de Beekstraat en de Emmastraat. Daartegenover, waar nu een groot laag gebouw stond, zou die mulo gevestigd zijn geweest.

„Ik weet het zeker”, zei hij, „want ik woonde als jongetje van elf in Beekzicht. Wij keken uit op de mulo, die later door de Duitsers is gevorderd om er soldaten in te huisvesten.”

Hij was hier in 1943 komen wonen – hetzelfde jaar als Remco Campert! Ze moesten elkaar in die smalle Beekstraat meermalen hebben gepasseerd. Hij was van 1932 en dus drie jaar jonger dan Campert, maar ze waren wel (ik kan het ook niet helpen) beiden in Den Haag geboren.

Hoe kwam een Haags jongetje in z’n eentje in Epe terecht? „Mijn moeder kon niet voor ons zorgen, ze was niet helemaal goed in haar hoofd”, vertelde de man. „De voogdij stuurde me naar Beekzicht. We waren met twintig jongens, niet ouder dan 17 jaar. Het tehuis werd geleid door een echtpaar, dat we ‘meneer’ en ‘mevrouw’ noemden, met een kleine staf. We werden streng, maar goed behandeld.

„We hadden de hele oorlog prima te eten. Naast ons lag een groententuin waar we van alles uit konden eten. Er stond een schuur met tuingereedschap waarin de Duitsers hun bestrafte soldaten opsloten. Dan gooiden wij een appeltje of peertje naar binnen, want die jongens hadden toch ook niet gevraagd om al dat vechten? Vergeleken met de mensen in het westen hadden we het goed. Ik herinner me nog dat mijn moeder me na de bevrijding kwam opzoeken. Ze had van het hongeroedeem geen haar meer op d’r hoofd.”

Hij keek met een liefhebbend oog naar Beekzicht. „Ik ben hier nu vijftig jaar weg, maar ik kom er nog elk jaar even naar kijken. Later kwam ik in pleeggezinnen terecht waar ik het slecht heb gehad. Die mensen namen je alleen voor het geld.

„Ik heb in Beekzicht zo’n bijzondere tijd beleefd. Het is een mooi huis en de Duitsers vorderden er de beste kamer van, daar op die hoek beneden. Nu hadden ‘meneer’ en ‘mevrouw’ een zoon die in het verzet zat. Die jongen zat op de zolder ondergedoken, zonder dat de Duitsers het wisten. Wij jongens moesten hem eten brengen. Wij kenden het geheim, maar we praatten er met niemand over.”

Ik hoorde een halve eeuw trots in zijn stem.